Woeltje, de verhalenjongen ......
|
Als een krijger staat hij daar. Boven op de garagebox, de benen licht gespreid en de knieën wat gebogen. In één hand houdt hij een tak vast, waarmee hij wild door de lucht zwaait. Met de andere hand werpt hij kiezelstenen naar een aantal leeftijdgenoten die van alles tegen hem roepen. Ze zijn met velen en dat maakt ze moedig, ja zelfs uitdagend, vol bravoure. Ze joelen luid tegen die jongen daar op het platte dak en laten hem voelen dat hij nu niet bij ze hoort. Als er eentje uit de groep aanstalten maakt om tegen de regenpijp omhoog te klimmen, haalt de krijger zwiepend uit met zijn tak tegen de dakrand. De durfal druipt af. Ik houd de pas in. Een gevoel van mededogen overvalt me. Die steentjes gooiende dakhaas is me bekend. Het is Ron en zo te zien beleeft hij een moeilijke middag. Even weet ik niet wat te doen. Gewoon doorlopen? Maar dat doet een vriend toch niet!! Aan de andere kant maak ik het hem misschien helemaal lastig als ik als volwassene partij voor hem kies. Terwijl ik koortsachtig loop te dubben, krijgt hij me in het vizier. Snel geef ik hem een bemoedigende knipoog, als blijk van vriendschap. Heel eventjes ontspant zijn gezicht en kijkt hij me met zijn donkere ogen aan. Zijn houding verslapt en de tak waarmee hij daarnet nog zwaaide, laat hij op het dak vallen. Met rappe schreden loopt hij naar de andere kant van de garagebox, bukt en klautert onzichtbaar voor ons allemaal naar beneden.
Ik loop zwijgend langs de jongens, die Ron belaagden. Ze zijn in verwarring door zijn snel verdwijnen. Hoe moeten ze dit nu opvatten? Ik hoor woorden als ‘lafaard’ en ‘schijtlijster’, maar in de toon waarop ze worden uitgesproken klinkt toch ook twijfel door. Laat ze maar, denk ik. Ik ben oprecht belangstellend naar Ron, mijn gedachten zijn bij hem. Waar heeft hij zijn toevlucht gezocht? Wanneer zal ik hem zien? Terwijl deze vragen mij bezighouden, en ik schielijk om mij heen kijk, kom ik aan op het pleintje waar we elkaar voor het eerst ontmoetten. Dat is nog niet eens zo heel erg lang geleden, maar in die korte tijd is er een hecht vertrouwen tussen ons gegroeid. De snelheid waarmee dat gebeurde, verraste me nogal. Daarom heb ik het vaste gevoel, dat ik Ron straks wel zal zien. Het muurtje waarop we samen vaker met elkaar hebben zitten praten, nodigt nu uit om rustig te gaan zitten wachten. Ik kan nu toch niets anders doen. In de kalme verwachting dat Ron straks wel voor me zal staan, gaan mijn gedachten naar enige weken terug. Ik zat vrijwel op dezelfde plaats wat voor me weg te mijmeren, toen er ineens een jongen bij me stopte. “Dag, hoe gaat het met je?”, was zijn vraag. Ik keek in een vriendelijk gezicht, een paar donkere ogen met een open blik. Gemillimeterd haar. Verrast door zijn belangstelling, en eerlijk gezegd door zijn aangename verschijning ook in verwarring gebracht, wist ik eerst niets te zeggen. Met op zijn gezicht een flauwe lach bleef hij me rustig met zijn donkere ogen aankijken. “Met mij gaat het goed hoor.”, gaf ik hem ten antwoord. Hij ging naast me zitten. Uit zijn hele houding sprak iets van ‘gezellig zo, hè’ Ineens had ik een leuke jongen naast me. “En hou gaat het met jou?”, wilde ik weten. Tsja, wat kon ik anders vragen? “Wel goed.”, zei hij. We keken elkaar aan. Hij bungelde met zijn onderbenen. Het was weer voor korte broeken en hij droeg er een tot een eindje boven de knie. Hij haalde zijn armen uit de mouwtjes van zijn T-shirt en vouwde ze onder de stof tegen zijn borst. Hij bewoog ze van links naar rechts, heen en weer. Hij strekte zijn benen en keek naar zijn schoenen. Hij bracht de stof van zijn shirt tot voor zijn mond en blies er doorheen. Een mooie strakke buik verloor zich in een zwart-wit gestreept randje van zijn onderbroek dat ondeugend zichtbaar was vanwege zijn ruimte latende broekband. Even leek het er op dat hij niet meer wist wat nu te zeggen. Maar nee. “Ga je wat doen?”, vroeg hij, zijn shirt nog hoger trekkend. “Nou, eigenlijk moet ik geld halen bij het postkantoor.”, zei ik nietsvermoedend “Dan ga je naar het winkelcentrum?” Hij keek me verwachtingsvol van schuin opzij aan. “Ja inderdaad” “Ga ik met je mee.”, was zijn resolute besluit. Hij stond al op om te gaan. Ik neem de dingen altijd zoals ze komen, maar nu kwamen ze verrassend snel. Om mezelf enige tijd te gunnen, al waren het maar een paar tellen, informeerde ik of hij dat wel mocht. “Ik mag overal komen.”, antwoordde hij. Nu ja, dacht ik, waarom ook niet. Ik had wel zin om een middag met een leuke jongen te gaan banjeren. “Hoe heet je eigenlijk?”, vroeg ik hem. “Ron” “Nou, Ron, ik heet ……..” “Weet ik.”, antwoordde hij snel. Ik keek hem vragend aan. Hoe wist hij dat. “En je woont daar op nummer ….”, wees hij naar mijn huis toen we bijna bij de winkels waren. “Ook dat klopt.”, zei ik. “Ik heb je daar vaak naar binnen zien gaan.”, verduidelijkte hij, “maar de anderen hebben me dat ook verteld.” “Oh ja…” Ik was een beetje verbouwereerd. Ron kende ik nog maar een minuut of vijf en hij was een bijzonder aardige jongen, die nu zo maar met me meeging. En die andere jongens? Wat hadden ze allemaal verteld? Maar hij liet me weinig tijd me dit af te vragen, want druk pratend liep hij naast me. Ja, hij had me al heel vaak gezien en kon me precies vertellen door welke straten ik altijd ging. Onderwijl liep ik me steeds heviger af te vragen hoe het toch mogelijk was dat ik hem helemaal niet kende. Hij keek me met zijn donkere ogen vriendelijk aan en hij leek het erg naar zijn zin te hebben. Zittend en wachtend op het muurtje speelt zo mijn kennismaking met Ron door mijn hoofd. Sindsdien weet ik meer over hem en is mijn sympathie voor Ron alleen maar groter geworden. Ik hoop zo hem te zien, want een vriend laat je niet in de steek. Ineens voel ik in gedachten weer zijn arm om me heen. Nadat ik geld gehaald had, zijn we even op een bank gaan zitten. Dat kletste gemakkelijker. Toen legde hij plots zijn arm rond me en zei dat hij mijn vriend was. En of ik dan……? Natuurlijk was ik dat! Wat kon ik anders zeggen. Maar verwarrend vond ik het wel. Het ging allemaal zo snel. Ron voelde zich echter volkomen op zijn gemak. Dat bleek uit alles. Ik kijk nog eens rond. Zie ik daar niet……? Ik recht mijn rug om beter zicht te hebben. Jawel, het is Ron. Gelukkig. Tussen de geparkeerde auto’s zie ik zijn licht gebogen hoofd, deinend op zijn passen. Hij heeft me gezien, want hij loopt recht op me af. Naar de grond turend beent hij met fikse stappen op me af. Typisch Ron, denk ik. Vastberaden, maar toch met enige schroom. Pas als hij een paar passen van me af is, richt hij zijn blik omhoog. En dan kijk ik in een verrassend ontspannen gezicht. Hij is de opwinding van daarnet dus verrassend snel te boven gekomen. In zijn eentje, op een plekje dat alleen hij kent. Toch vraag ik hem wat er nou aan de hand was, hoewel ik het eigenlijk wel weet. Hij gaat naast me zitten. “Ach, ze riepen weer eens dat ik op De Banier zat.”, zucht hij. Ik begrijp het. Verder hoeft hij niks te zeggen. Ron zit op een speciale school. In de belevingswereld van veel van zijn leeftijdgenoten ben je dan al snel een merkwaardig persoon, iemand waar misschien wel een steekje aan los zit. Op zijn minst ben je anders, niet helemaal normaal, en een gemakkelijk doelwit van gemeenschappelijke spot als dat zo uitkomt. Ik sla een arm om hem heen. “Vrienden”, is het enige woord dat ik zeg. “Ja, vrienden”, is zijn antwoord. Wat die pesters niet zien, misschien nog niet kunnen zien, is dat Ron bijzonder innemend is. Bovendien is hij slim en er ontgaat hem niet veel. De keren dat ik nu met hem op stap ben geweest, gewoon in de eigen buurt, vertelt hij me honderduit over de dingen die we tegenkomen. En de verhalen die hij dan vertelt, zijn het beluisteren waard. Het zijn de dingen die iedere jongen, die op straat en door steegjes komt, weet. Maar het doet hem zichtbaar goed te merken dat er iemand is die naar hem luistert. En hem serieus neemt. Ook vertelt hij over zijn thuis. Over zijn broer die een paar jaar ouder is. En die broer kan iets waartoe Ron zijn lichaam met zijn tien jaar nog niet toe in staat is. Hij heeft dat een keer gezien en het houdt hem erg bezig. Ik ben hem de verhalenjongen gaan noemen. Volgens mij verwoordt hij zijn gedachtegang vrijwel direct. Hij denkt al pratend. Maar pas na enige tijd kreeg ik in de gaten dat hij tussen al die verhalen door de dingen die voor hem van groot belang zijn en hem het meest bezig houden en passant, tussen neus en lippen, noemt. Een beetje achteloos strooit hij ze tussen de verhalen door, alsof ze er niet toe doen. School interesseert hem niet zo. Helemaal onbegrijpelijk is dat in zijn geval niet. Mijn vragen daarover wimpelt hij altijd als onbelangrijk weg. Nee, als je goed let op zijn losse opmerkingen tussen al het gepraat door ontdek je dat er iets is wat hem mateloos bezighoudt. Volwassen worden. Hij is duidelijk geboeid geraakt door zijn eigen lichaam. Ron beseft dat hij op de drempel staat van allerlei lichamelijke veranderingen die er te gebeuren staan. Bij zijn oudere broer heeft hij het zien gebeuren. Maar zien of weten met het hoofd is heel wat anders dan zelf ondergaan. En dat beseft hij heel goed. Die ervaringsleemte kan hij niet vullen. Dus gist hij maar. En dat doet hij op een speelse manier, zo voor de vuist weg. Tussen alle verhalen door, nieuwsgierig naar mijn reactie. Misschien wil ik dan wel vertellen…….je weet nooit. Zo banjeren we geregeld samen door de straten. Hij gaat mee boodschappen doen. We brengen samen de boodschappen naar huis, drinken snel wat en gaan dan weer naar buiten. Er gaan ook dagen voorbij dat we elkaar niet zien. Dan mis ik zijn onderhoudende gepraat en zijn vrolijkheid. Want hoewel het Ron niet op alle fronten meezit, vrolijkheid kan je hem niet ontzeggen. En evenmin levensdrang. Hij beseft heel goed dat hij door veel van zijn leeftijdgenoten als een beetje uitzonderlijk wordt gezien. Echt eenzaam is hij toch niet. Hij speelt geregeld met ze mee, maar hij behoort niet tot een vaste kring. Ze dulden hem, daar houdt het mee op. En als het eens een groepje in de bol slaat, dan jagen ze hem joelend het dak op. Ron slaat er zich iedere keer weer manmoedig doorheen en dat bewonder ik erg in hem. Hij laat zich niet klein krijgen, maar toch moet zoiets hem pijn doen. Dat kan niet anders. Ik denk dat hij het daarom zo fijn vindt om geregeld met me op te trekken, al doen we dan samen normale, weinig spannende dingen, zoals boodschappen doen. Bij mij hoeft hij geen strijd te voeren om zich te handhaven, kan hij gewoon zichzelf zijn. En vertellen over wat hem zoal bezighoudt. Ik ben van Ron de verhalenjongen gaan houden zoals je houdt van een goede vriend. Zittend op dat muurtje, als vrienden naast elkaar, slaat hij een arm om me heen. Ik kijk in zijn donkere ogen. “Kom we gaan wat lekkers halen.”, zeg ik. Dat heeft hij wel verdiend vind ik. Woeltje Alle teksten ressorteren onder Jochies©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend. De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden. |
|
Woeltje |