Verhalen

San Remo, eten ...

Eten. Het moet. Als je daarmee een jeugdhuis kan sponsoren, is dat mooi meegenomen. Samen met enkele vrienden/kennissen heb ik afgesproken deze zondag het jeugdhuis te sponsoren. Ze kunnen het gebruiken.

Buiten schijnt de zon. Het is zo’n nazomerdag waarbij je de winter al kan rieken. Ergens ver in de lucht schijnt een zonnetje. De wereld lijkt er plots veel groter door, de stad mooier.
Binnen worden we naar een tafel voor vier geleid. Naast ons zit een gemengde groep van twee gezinnen. Mijn aandacht gaat onvermijdelijk uit naar een roodharige jongen van een jaar of veertien, vijftien. Hij is bleek, heeft een resem sproetjes en kijkt ernstig. Allicht was hij liever thuis gebleven om met zijn PlayStation te spelen. Of misschien verkoos hij het fietsen of wat hangen met vrienden. De bioscoop met zijn lief? Kan ook. Maar hij moest hier zijn, met zijn ouders en zijn zusje en broertjes.

Een klein blond en een iets groter, donkerharig broertje vergezellen hem. Ze zijn nog niet helemaal van het kleutervet verlost. Vijf en acht jaar, gok ik. Hun zusje is ouder. Ergens in de zaal loopt nog een zesjarig blondje rond. Ook hij heeft nog bolle wangetjes, maar is gekleed als een zéér sjieke meneer. Een jeansbroekje waarop een wazig witte film gelegd lijkt, een wit hemd met kraag en een das. Zijn kapsel is met gel bewerkt en blijft aanvankelijk in de juiste vorm. Hij doet alsof hij heel goed weet wat hij wil.

Een mee-eter (niet op mijn gezicht, ik bedoel een tafelgast) vertelt me dat de papa van het knulletje in het bestuur van het jeugdhuis zit. De jongen was al weken op voorhand er stellig van overtuigd dat hij mee zou bedienen op de restaurantdag. Hij moest en hij zou in die galakledij getooid gaan. Hij heeft een dikke nek, denk ik. Het jongetje verloochent zijn leeftijd niet en is vaak te vinden aan de tafel van onze buren, waar hij contact gelegd heeft met zijn leeftijdsgenootjes. Af en toe stapt hij parmantig rond, soms draagt hij een bord of een glas en hij doet vooral cool tegen de achttien- à twintigjarigen die voor het overige de bediening doen. Hij wil krampachtig één van hen zijn, maar slaagt daar niet in. Af en toe zoekt hij troost bij de andere jongetjes, alsof hij van hen de bevestiging wil hebben dat hij cool is.

De maaltijd is bijna gedaan en ik hoor mijn naam. Het is niet één van mijn mee-eters die me aanspreekt, het is het blonde broertje. De drie kinderen aan de buurtafel kijken me aan, hun ogen vol onuitgesproken verwachting. Ik kijk hen aan en het donkere broertje groet me. Ik kan er niet meer aan uit, dus moet ik weten wat hier aan de hand is. Ik ga tot bij hun tafel en zeg dag, maar laat het volgen door: “Ik merk dat jullie me kennen, maar –sorry- ik herken jullie niet.”
“Van het speelplein.” zegt het zusje.
Mijn frank valt nog altijd niet, ’t is te zeggen: ik herken hen nog steeds niet, maar bedenk me dat ik de voorbije zomer slechts een blitzbezoek van twee dagen aan ‘mijn’ speelplein gebracht heb. Het verwondert me dat ze me herkennen. Blijkbaar heb ik in die twee daagjes toch een behoorlijke indruk nagelaten.

Ik keuvel snel wat met de ouders en bekijk hun roodharige, grote broer wat beter. Hij is erg bleek, maar meer dan gemiddeld van schoonheid. Hij is totaal niet in me geďnteresseerd. Dan zet ik me maar op mijn hukken bij de tafel en praat wat met de drie jongsten. Donker broertje wil zijn Pokémonkaarten laten zien. Ik heb me nooit in Pokémon geďnteresseerd, maar kijk en luister aandachtig. Ik laat me meedrijven in hun wereldje en bedeel hen met de aandacht die ze vragen. Heb jij dat ook, dat je iets plots heel interessant vindt als het van een jongetje is?

Een tiental minuten zijn we ongestoord gezellig samen, maar mijn dessert is onverbiddelijk. Het eist om opgegeten te worden. Ik groet de kinderen en hun familie, maar zit er vijf minuten later alweer. Ze hebben me geklist en laten me niet los. Nu zit ik op mijn hukken bij zusje, die tekenen vertoont van een soort platonische verliefdheid. Haar broertjes komen recht van hun stoel en staan naast me. Plots voel ik hoe een jongenshandje liefdevol door mijn haar wroet. Blonde broertje is trouwens verontwaardigd als ik hem vijf schat. Hij is immers al zeven, maar hij vergeeft me mijn vergissing. Ze zijn lief maar maken me niet verliefd.

Had ik het verwacht? Neen, maar het gebeurt wel: het zesjarige obertje komt erbij. Van dichtbij is duidelijk hoe kwetsbaar en onzeker hij eigenlijk is. Zijn coole houding is, zoals verwacht, niet meer dan een pose. Ik ken hem niet, hij kent mij niet, maar hij komt wel tegen me aan leunen. Wat oké is voor zijn vriendjes, is oké voor hem. Met zijn leunen zegt hij: Jij bent oké.

De gezinnen gaan weg en ik praat nog wat na met de moeder van zusje en broertjes. Ze roepen naar elke begeleider van het speelplein goeiedag, hoor ik. Maar er zijn er geen die zoveel tijd en aandacht voor hen hebben. Ik zeg niet dat ik dat uit liefde doe, maar dat snappen ze wel. Als ik ga afrekenen, blijft het obertje in mijn buurt hangen. Stoer komt hij naast me staan en klopt een paar keer op mijn rug. Wij zijn maten. Bedoelt hij. Ik vind het leuk, geniet van het moment. Maar ik zal hem niet missen, niet onverrichterzake naar hem verlangen.

Want dat is niet waar zo’n kind om vraagt.

San Remo

Alle teksten ressorteren onder San Remo©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend. De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden.

San Remo

terug naar boven