|
Hier
zit ik dan, in een naamloos hotel in een naamloze stad ergens in een uithoek
van Nederland. Niemand weet dat ik hier ben en nog voel ik me niet veilig.
Ik kan niet meer vertrouwen. Te vaak ben ik bedonderd.
Ik heb me ingeschreven onder een valse naam en betaal iedere dag vooraf
in cash.
Er kiert licht door de gordijnen, die ik heb dichtgetrokken om camera's
te weren. Het wordt licht, tijd om me te verbergen. De kamer waarin ik
zit zit vol met donkere hoekjes. Genoeg plaats voor de oortjes en oogjes
die me willen vangen. Ik moet stil blijven zitten, dan kunnen ze me niet
zien of horen.
Buiten hoor ik geruis. De wereld begint te ontwaken. Langzaam vult de
straat zich met bewoners van deze stad. Ik verbeeld me dat ze allemaal
even halt houden bij mijn hotel en even kijken of ik me al beweeg of
dat ik geluid maak, zodat ze me kunnen pakken. Maar ik ben hun voor. Ik
heb de gordijnen gelsoten en grotendeels dichtgetaped. De gordijnen zijn
zwaar, dus er gaat ook weinig geluid door. Te weinig om uit te
maken of ik er nog ben.
Ik luister naar het geruis buiten. Naar mate de tijd verstrijkt, wordt
het luider. Ik luister naar afwijkende geluiden. Een auto die vlak voor
het hotel stopt, stemmen die mijn naam lijken te roepen. De schaduwen
rond mij fluisteren liefkozende woordjes in mijn oor, zeggen me dat ik
nergens bang voor hoef te zijn, dat ik allang weer naar huis kan, dat
ik weer welkom ben. Maar ik geloof ze niet, hoe graag ik het ook wil.
Dan hoor ik het. Een auto stopt recht voor het hotel. Ik herken de motor
en denk ze hebben me gevonden. Ik hoor de motor afslaan en portien open
en dicht gaan. Verschillende stemmen bereiken me, een aantal lage stemmen
en een hoge. Ik waag het voorzichtig om naar buiten te kijken. Ik zie
de auto aan de overkant van de straat. Het lijkt een gezin met een kind,
een jongen. Hij is mooi. De jongen kijkt omhoog, wijst naar het raam waar
ik sta en roept iets.
Ik verstijf. Verschrikt deins ik terug. Nu weet ik het zeker, ik ben ontdekt.
Mijn eerste impuls is om naar de deur te sprinten en te verdwijnen. Ik
houd mezelf tegen. Ik scheld mezelf in stilte uit, nooit rennen, dan maak
je je alleen maar verdacht. rustig aan, ze hebben je nog niet. Ik waag
voorzichtig weer een kijkje naar buiten. De auto staat er nog, maar de
familie is er niet meer. Even raak ik weer in paniek, maar mijn rationele
kant krijgt de overhand. De familie is natuurlijk allang in de lobby,
uitvissen in welke kamer ik
zit, als ze dat al niet weten.
Ik besluit me te vermommen. Mijn koffer staat nog op bed, klaar om geopend
te worden. Ik aarzel, moet ik mijn vermommingen nu al weer te voorschijn
halen. Ik heb ze toch pas nog gebruikt? Ik loop naar de
koffer en open het. De inhoud is netjes en ordelijk, zoals het hoort.
Een simpele outfit wordt mijn keuze, net genoeg om niet meer op mezelf
te lijken en niet te uitbundig om niet verdacht te zijn.
Rustig, te rustig naar mijn zin, loop ik naar beneden. Het gezin zit in
een hoek van de lobby, schijnbaar rustig, maar er lijkt een soort rusteloosheid
van hun uit te gaan, alsof hun prooi hun door de vingers glipt. Ik glimlach.
De hotelklerk glimlacht vriendelijk terug als ik de sleutel inlever en
me uitschrijf. Nog een keer kijk ik richting het gezin. Nu zie ik de jongen
recht naar mij kijken. Zijn ogen worden groot en zijn gezicht licht op.
Paniek overweldigt me en ik ren naar de deur. Ik hoor de jongen roepen,
maar ik luister al niet meer. Ik open de deur, vlieg naar buiten en wordt
geschept door een auto die met een noodgang door de smalle straat racet.
Terwijl ik mijn bewustzijn verlies, zie ik de jongen naar buiten komen,
verschrikt op me af komen en mijn hoofd in zijn handen houden. Hij huilt.
Het laatste wat ik hoor zijn zijn gefluisterde woorden:"Ik
houd van je!"
SanhGrimr
Alle
teksten ressorteren onder SanhGrimr©copyright, tenzij anders is aangegeven.
Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke
toestemming van de auteur is verleend. De teksten mogen ook niet gewijzigd,
ingekort of verpersoonlijkt worden.
|
|
SanhGrimr
|