Johnny, zwart wit
|
Als dank voor Boyo voor het plaatsen van zijn zwart wit galerij op TAF ... Vroeger kon ik alles zien, scherper nog dan God. Er was niets dat ontsnapte aan mijn aandacht. Alle bewegingen die in mijn nabije omgeving gemaakt werden zoog ik op in mijn geheugen en analyseerde deze totdat er niks interessants overbleef. Het kleurenpalet dat de wereld mij schonk smeedde ik tot een toverbal. Niets was mij liever dan de lagen weg te likken met mijn tong. Laag voor laag smolten de kleuren onder mijn speeksel, totdat er niks anders overbleef dan een klein balletje dat ik uiteindelijk kon doorbijten. In het leger verdiende ik een taak als scherpschutter. Het geweer dat ik droeg was altijd trefzeker. Alle voorwerpen waar ik op richtte waren gedoemd om te sterven. Flesjes in de verte spatten uiteen als de kogel die ik wegzond insloeg, genadeloos insloeg. Eén schot was al voldoende voor een versplintering die nooit meer te herstellen was. Ik genoot vol trots van het geluid dat het glas maakte als het de betonnen vloer raakte. De macht van het geweer maakte mij sterk. De schittering van de loop was mij vertrouwd en ik accepteerde de vriendschap van de kolf die kameraadschappelijk tegen mijn schouder rustte. Het vizier was mijn eindoordeel. Ik schoot omdat het mijn tweede natuur was en ik schoot omdat het leger mij daartoe opdracht gaf. Daarna verdiende ik er geld mee. Niet meer om te schieten maar om het wapen te dragen als een tandloos prul dat aan mijn belt hing. Preventieve oorlogsvoering en het tonen van macht als een stukje zelfbescherming. In mijn resterende loopbaan hoefde ik het wapen slechts één keer op te pakken. Tijdens een bankoverval richtte ik het op een woesteling die de euvele moed had opgevat om een kind te gijzelen. Hij hield de jongen voor zich als schild en diende als een laatste redmiddel om zijn vluchtweg te gaan. Met een vaste hand pakte ik mijn pistool en zocht de snoodaard in het verlengde van mijn loop. Zijn ogen keken mij angstig aan alsof hij wist dat ik een koningsschutter was. In die luttele seconden moest hij beseft hebben dat ik de situatie wilde beslissen. Het kind in zijn armen huilde van angst. Daarna sprak de eenvoud door het simpel overhalen van de trekker. De droge knal uit het vuurwapen echode kort na in mijn oren en ik keek toe hoe de martelaar neerviel. Het gebeurde allemaal in een oogwenk waarin weinig tijd geboden was om na te denken. Toch wist ik wat er zou gaan gebeuren omdat ik getraind was op dit soort situaties. Ik was een automatisme geworden die genoot van de terugslag van het wapen en de warme geur van het wegschietend lood. Het bloed kwam verraderlijk snel, maar hij leefde niet meer. De verstarde blik van de dood zullen mij altijd achtervolgen. Zelfs nu nog, als ik deze aantekeningen maak. Ik werd een held gemaakt. Kranten schreven over mijn kordate optreden en in de familie van de jongen werd ik ruiterlijk beloond. Presentjes werden mij toegezonden en de e-mail box slipte binnen enkele dagen vol. Maar ik beantwoordde niet één van die berichten. Het was mijn werk, ik had gewoon mijn werk gedaan. Daarna volgde een onderscheiding: een oorkonde en een medaille werden mij overhandigd door het gemeentebestuur. Ik lachte zoals mij werd aangeraden en schudde handen van mensen die nauwelijks konden beseffen welke macht gebruikt moest worden om tot een oplossing te komen. Daarna ging het bergafwaarts. Mijn gezichtsvermogen werd aangetast door een ziekte en de wereld om mijn heen moest ik aanvankelijk door een bril bekijken. De sterkte van mijn glazen werd in ijltempo gecorrigeerd maar niks kon de neergaande spiraal stoppen. De ziekte was even meedogenloos als de kogel die ik had weggezonden op de bankovervaller. Er was geen ontsnappingsroute aanwezig. Een operatie was te risicovol en ik moest lijdzaam ondergaan dat de contrasten in mijn omgeving vertroebelden. Toen werd het nacht, een eindeloze nacht. Een nacht die ergens begonnen was maar die nooit meer zou stoppen. Soms speelde ik nog met mijn wapen en richtte het op iets wat ik niet meer kon zien. De enige functie die mijn ogen nog hadden was het verliezen van traanvocht. En ik huilde om de grafische aanblikken van een wereld die ik verloren had. Ik probeerde te bidden tot God en smeekte dat mijn ogen konden bloeden zodat ik in ieder geval nog een rode kleur zou zien. Maar mijn gebed werd nooit gehoord. Niet door God, ook niet door mijn doktoren maar wél door de stilte en eenzaamheid die mij trouw omringden. Het was zo makkelijk geweest om de loop van het wapen op mijn slapen te richten. Misschien dat dan die gruwelijke zwarte wereld zou eindigen. Maar ik was bang dat er een nieuwe leegte zou volgen en ik vermande mij. Later in de week zette ik het wapen tegen mijn lippen en opende behoedzaam mijn mond. De loop van het pistool drong traag naar binnen en ik proefde de metalen smaak. Ik drukte mijn tong tegen de loop waardoor ik het idee kreeg dat ik de eeuwigheid aan het pijpen was en wachtte op een dodelijk lading. Mijn vinger spande zich om de trekker maar andermaal kon ik er niet toe besluiten om het leven te stoppen. Daarna volgden er vele jaren van verveling. Ik moest er genoegen mee nemen dat mijn oren mijn ogen werden. Ik fantaseerde beelden die ik nog kende van vroeger en combineerde ze tot een logisch verhaal. Maar telkens realiseerde ik mijzelf dat de beelden slechts herinneringen waren die verder sleten om uiteindelijk te vervagen. Nieuwe aanvoer verkreeg ik soms uit dromen die heerlijk bewegende situaties aandroegen. Ik sliep graag om deel te nemen aan een onwerkelijke en externe wereld die zover buiten mijn bevattingsvermogen lag. Maar ik besefte ook dat het slechts een vlucht was om aan een gruwelijke werkelijkheid te ontsnappen. Op een zomerse dag wandelde ik door de voortuin en luisterde naar de vogels die er lustig op los zongen en hoorde het zoemen van bedrijvige bijen. Ik probeerde mij in te beelden hoe ontdeugend de bloemen flaneerden naar een strak blauwe hemel die geen plaats bood aan donkere wolken. In de verte hoorde ik een sportvliegtuigje dat langzaam in een oneindigheid leek weg te sterven. Het gebrom van de motor was minutenlang hoorbaar in de zuiverheid van de lucht. Daarna resteerden alleen de zomergeluiden die de natuur te bieden had. Ik schrok op toen ik een zachte plons hoorde in de vijver van de tuin. Het was het geluid van een vis die even boven de oppervlakte sprong om daarna weer opgenomen te worden in de watermassa. Ik glimlachte om het plezier dat het kleine schepsel moest beleven. Ik gunde hem dit speelse genoegen alhoewel ik jaloers was op zijn bewegingsvrijheid. Opnieuw hoorde ik een zachte plons in het water en becijferde dat dit geluid ook leek op een steentje dat in de vijver geworpen werd. Instinctief keek ik om mij heen maar de blindheid van mijn ogen verhinderden om waar te nemen. Kort daar op hoorde ik een stem, een jongensstem. “Ben je somber?” “Nee.
Ik geniet van de geluiden en het zomerse weer”. “Mag
ik bij je komen zitten?” “Dat
mag je. Maar vertel eerst wie je bent en wat je hier komt doen”. “Ik ben
Cane. Ik ben de jongen die je hebt gered van de martelaar in de bank”.
“Dat
is onmogelijk. De jongen die ik heb gered is nu al een man”. “Toch
niet. Ik ben naar hier gekomen omdat ik een schuld heb in te lossen”.
“Hoe
zou jij een schuld moeten inlossen? En welke schuld zou je dan hebben?”
“Je bent
blind geworden”. “Dat
heeft niks met die overval te maken. Die blindheid heeft te maken met
mijn ziektebeeld”. “Weet
ik”. “En hoe
denk je mij dan te kunnen helpen? Zelfs de beste doktoren van de wereld
kunnen niks meer voor mij doen. Zij staan machteloos”. Er viel een stilte waarin ik opnieuw luisterde naar de zomerse geluiden. Die geluiden inspireerden tot het terugdenken aan die traumatiserende situatie. Hoe dikwijls was ik al terug gereisd naar het verleden? Opnieuw zag ik de wanhopig huilende jongen die zich probeerde te ontworstelen aan de ijzeren greep van zijn belager. Opnieuw beleefde ik de luttele momenten die resteerden om mijn wapen te richten en opnieuw zag ik het bloed stromen na de inslag van de kogel. Ik sloeg de handen voor de ogen. “Ik
denk niet dat ik het prettig vind dat je mij herinnert aan dat tragische
voorval”. “Toch
is dat de plaats waar wij elkaar voor het eerst hebben ontmoet”. “Dat betwijfel ik. Ik denk toch dat je een bedriegertje bent. Waarschijnlijk zal je het verhaal van je ouders hebben gehoord of je hebt ergens een artikel uit de krant gelezen”.
“Test
mij dan. Ik ben echt Cane”. “Oké,
goed. Hoe ziet Cane er dan uit?” “Ik ben
een negerjongetje. Krulletjes. Niet zo groot”. “Hm.
Die vraag was misschien iets te gemakkelijk. Wat voor kleren droeg je
op die dag?” “Ik had
mijn streepjestrui aan en mijn spijkerbroek”. “Klopt.
Wie had je toen bij je?” “Ik was
daar alleen met mijn moeder en mijn kleine broertje”. “Ik moet toegeven dat je antwoorden allemaal kloppen. Toch heb ik nog één vraag. Wat waren de eerste woorden die je moeder zei nadat ik die man eh..." “Vermoord
had?” “Uitgeschakeld
had”, corrigeerde ik hem. “Mijn
moeder zei dat ik die blanke man moest bedanken. Met blanke man bedoelde
ze jou”. “Verdomme,
wéér een goed antwoord. Je bent er dus écht geweest”.
De weegschaal was doorgeslagen. Aanvankelijk rangschikte ik dit knaapje onder de categorie oplichters. Na het beantwoorden van de vragen, kon ik alleen maar concluderen dat hij Cane moest zijn of... hij had het verhaal van Cane zelf gehoord. “Ben
je soms een zoon van Cane?” “Nee.
Ik ben Cane zelf”. “Maar
wat kom je hier dan doen?” “Ik kom
om je weer te laten schieten”. “Onzin.
Ik ben zo blind als een mol. Ik kan nog geen olifant raken op twee meter
afstand”. “Ligt
je pistool nog steeds in de keukenlade?” “Hoe
weet jij dat?” Ik kreeg geen antwoord. Ik hoorde hoe de jongen, die naast mij had gezeten, was opgestaan en luisterde naar zijn voetstappen die mij vertelden dat hij naar de keuken liep. Daarop hoorde ik het zachte openschuiven van de keukenlade en even later stond hij weer bij mij. “Hier”,
zei hij terwijl hij het wapen in mijn hand drukte. “Ik heb het al geladen”.
“Maar
dit is klinkklare nonsens. Waar zou ik dan op moeten richten? Ik zie alleen
maar zwart”. “Denk
aan je tuin. De werkelijkheid is precies zoals in je gedachten leeft”.
“Wat
wil je hier mee bereiken?” “Wacht.
Ik zet ergens een vaas neer. Daar kan je op richten”. Mijn gehoor was scherp, scherper dan dat van God. Ik had mijzelf erop getraind om geluiden op te vangen en het kostte mij geen moeite om te horen hoe hij de vaas van de tuintegels oppakte. Ik ving de geluiden van zijn adem op maar toen hij op het gras liep was ik hem kwijt. Hij kon nu overal zijn, voorin de tuin, achterin de tuin of hij kon zelfs verdwenen zijn. Misschien was hij daar wel op uit: het stelen van een vaas. “Cane?”. Er kwam geen antwoord. “Cane?”, vroeg ik nadrukkelijker. Plots voelde ik zijn hand op mijn arm. Hij was mij blijkbaar ongemerkt genaderd. “Zie
je de vaas?” “Ja.
In gedachten wel. Maar ik weet niet…dat is enkel maar de plaats die ik
mij inbeeld. De kans is natuurlijk erg groot dat de vaas ergens anders
staat”. “Wat
je ziet is werkelijkheid. Schiet nu maar”. Vreemd dat ik mij liet commanderen door een negerjongetje. Maar diep in mijn hart hield ik van Cane. Jarenlang was ik een vaste gast geweest bij de familie thuis. Zijn moeder noemde ons, met in achtneming van alle soorten van respect, de leiders van het ‘zwart wit syndicaat’. Hij, de negerjongen, en ik, de blanke man. Toen hij eenmaal verkering kreeg was ik hem kwijt. Voorgoed dacht ik, totdat ik hem vandaag weer tegen kwam. Ik sloot de ogen om mij te concentreren en richtte mijn wapen. Het voelde vertrouwd, net als vroeger, maar nu zonder mijn enige steun van mijn gezichtsvermogen. Telkens schoot het door mijn hoofd dat dit absolute waanzin was. Mijn keel voelde droog en mijn hart pompte het bloed in hoog tempo door mijn aderen. Mijn lippen leken open te zwellen en mijn ogen deden pijn. Mijn wijsvinger drukte tegen de trekker en trilde lichtjes. Toen haalde ik over. Een zucht van verlichting ging door mij heen toen ik de scherven hoorde rinkelen. Ik had doel getroffen. Misschien was het niet de vaas, misschien had ik het raamwerk van de buren kapot geschoten. Aan de jubelstemming van Cane merkte ik dat ik geslaagd was. Hij had mij nog één keer de koningsschutter gemaakt die ik vroeger was. Ik voelde mij zelfs een betere wapendrager omdat ik dit maal mijn doel had geraakt zonder het te zien. Plotseling veranderde iets in de atmosfeer. De vrolijke stemming was weggeëbd en Cane pakte mijn arm met twee handen vast. “Richt
nu je wapen op mij”, sprak hij serieus. “Ben
je gek geworden?” “Ik wil
dat je het doet. Als de kogel mij raakt dan zal je weer kunnen zien”.
“Dat
verdom ik. Cane, je bent mijn vriend”. “Doe
toch. Je gezichtsvermogen is meer waard dan vriendschap. Het ‘zwart wit
syndicaat’ zal nimmer sterven”. Hij drong aan. Hij vloekte tegen mij. En ik voelde hoe hij hard hij tegen mijn schenen schopte. Wanhopig probeerde ik zijn vuisten af te weren die onophoudelijk in mijn maagstreek neerdaalden. Voor een klein ventje van ongeveer twaalf jaar was hij onmetelijk sterk en elke slag deed pijn. Ik gilde, ik krijste maar hij ging onverdroten door. Met trillende vingers richtte ik het wapen op en zwaaide het in de richting waar ik vermoedde dat hij kon staan. “Schiet dan lafaard”, sloeg zijn stem over door de emoties. “Schiet dan voordat ik de kans krijg dat ik jou kan vermoorden. Hier staat een riek en ik zal je prikken tot je doodbloedt”. Ik probeerde te denken maar het lukte niet. Flarden uiteengereten informatie stroomden door mijn hoofd. Het zweet brak mij uit. Van welke kant kon ik mijn belager verwachten? Zou hij werkelijk toeslaan of probeerde hij mij alleen maar tot het schieten te brengen? Hij forceerde de situatie, dat was duidelijk. Maar als ik zou schieten dan zou ik een kind vermoorden. Mijn Cane, mijn lieve kleine ventje, die ik bevrijd had toen hij zo dicht bij de dood had gestaan. Ik gooide mijn wapen op het gras en spreidde de handen. “Steek
maar Cane. Je kan mij alles vragen maar ik kan je geen kwaad doen. Het
‘zwart wit syndicaat heeft ons aan elkaar verbonden”. “Shit man. Dit was dé kans voor je om weer te zien”. Even later voelde ik hoe hij zijn hoofdje tegen mijn buik aan drukte. Hij was klein van stuk. Ook dat kon ik mijzelf nog herinneren. Ditmaal huilde hij net zo erbarmelijk als de eerste keer dat ik hem zag en ook ditmaal probeerde ik hem te troosten. Mijn hand streek door zijn krulletjes en fluisterend sprak ik hem kalmerende woorden toe. “Wij
zijn vrienden Cane. Grote vrienden. Ik ben liever blind dan dat ik jou
zie lijden. Stel je voor dat ik jou geraakt zou hebben. Een toevalstreffer
had mijn leven nog meer verwoest dan nu al het geval is”. “Je hield
geen rekening met een toevalstreffer, het is iets, het is anders...” “Wat
dan?” “Je kón
mij wél duidelijk zien. Daarom ben je gestopt. Je wist dat je mij
zou raken. Je was er zo dicht bij en toch ben je gestopt”. “En waarom
ben jíj dan gestopt? Je had mij makkelijk kunnen vermoorden met
de punten van de riek. Als je mij écht had willen verleiden om
te schieten dan zou je hebben doorgezet”. “Omdat...”
“Ja?”
“Misschien... omdat ik van je hou”. Een heerlijk gevoel stroomde door mijn lijf. Het warme jongenslichaam dat tegen mij aan stond gedrukt om bescherming te zoeken maakte het moment zo speciaal. Cane stelde zich sierlijk en kwetsbaar op, zoals een kind dat nog kan doen. Zó doordrenkt met onschuld, zó doordrenkt met liefde en volop gedragen door genegenheid. “Er
is nóg een mogelijkheid dat ik je kan laten zien. Maar die heeft
minder kracht”. Hij pakte mijn hand en begeleidde mij naar de woonkamer. Vandaar opende hij de deur naar de trap en sjorde mij naar boven waar de slaapkamer was. Met een korte zin legde hij mij uit om op bed te gaan zitten. “Leg je hand op mijn buik en streel mij”. Even later voelde ik hoe de spiertjes in zijn maagstreek spanden en ontspanden. Mijn handen gleden langs de lichaamslijnen terwijl ik mij koesterde aan zijn levenswarmte. Hij kreunde heel zacht toen ik hem naar mijn toedrukte en hem liefdevol rond zijn naveltje kuste. Ik voelde hoe hij zich vastgreep met een kracht en zelfverzekerdheid. Hij smeekte mij om hem nooit meer los te laten. Het was de liefde, zíjn liefde voor mij die naar de oppervlakte was gekropen. Even later hadden wij ons van al onze kleren ontdaan en lagen wij kroelend onder de dekens in bed. Het was warm, het was naar genoegen. Het was onstuimig en zalig tegelijk. En het hielp. Toen we naar een rustpunt waren gegroeid lag hij stevig tegen mij aangedrukt en kuste mij op de wang. “Kan
je nu weer zien?” “Ja.
Ik kan weer zien. Maar er is één ding...” “Is je
gezichtsvermogen dan niet in zijn geheel teruggekeerd?” “Ik ben
niet blind meer als je dat bedoelt. Maar er is wél iets anders”.
“Wat
dan?” “Je vertelde
dat deze oplossing minder kracht had”. “Ja,
Dat heb ik gezegd”. “Goed.
Ik zie alles weer als vroeger. Maar de kleuren ontbreken. Ik zie alles
in zwart wit”. “Dat
is toch genoeg voor de rest van je leven”. “Ja. Dat is genoeg. Want jij bent een negerjongetje en ik ben een bleekscheet. Als wij bij elkaar blijven dan hoef ik geen andere kleuren meer te zien”. Wij lachten beiden en voelden ons als echte leiders van het ‘zwart wit syndicaat’. Johnny, 21-12-2002 Alle teksten ressorteren onder JRvanDriel©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend. De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden. |
|
Johnny |