Verhalen

Johnny, Orpheo en Zégido

Slapen engeltjes op hun buik of op hun zij?

Meestal ga ik op vrijdagavond, direct na mijn werk, de weekboodschappen doen. Dan is het nog lekker rustig en kan ik op mijn gemak langs de schappen lopen en ongehinderd mijn keuzes bepalen. Bij de kassa staan er dan nog niet zoveel mensen om af te rekenen waardoor ik al weer ruim voor zeven uur thuis ben. Ditmaal was mijn route anders, maar gelukkig hebben ze in elke wijk soortgelijke winkels. Na een korte zoektocht in het winkelcentrum herkende ik het logo en de reclameopschriften die op de ramen van een winkel waren geschilderd en liep naar de deur die automatisch opende. De hal was leeg en verlaten. Alleen in de kleine winkeltjes waren verkopers aanwezig, die van de stilte gebruik maakten om hun assortiment aan koopwaar na te lopen. Dit als voorbereiding op de werkelijke drukte die aanstonds zou beginnen. Ik pakte een winkelwagentje en passeerden de klapdeurtjes die uitnodigend openzwaaiden. Ik keek om me heen en was aangenaam verrast dat vrijwel alle schappen behoorlijk aangevuld waren. Zelfs beter dan in de supermarkt waar ik doorgaans mijn boodschappen haal.

Ik had enige moeite met de indeling van de winkel. Normaal gesproken kwam ik eerst bij de zuivelproducten en belandde daarna pas bij de groentewaren. Het was even zoeken geblazen en ik vond het irritant dat ik niet zo snel een verkoper kon vinden aan wie ik kon vragen in welk gedeelte van de winkel de frisdranken stonden. Het had er veel van weg dat ik de enige was die op dit tijdstip van de dag door de winkel liep. Ook achter de balie van de vleeswaren was niemand te vinden waardoor ik gedwongen was om vooraf afgewogen boodschappen in mijn karretje te stoppen. Tegen het plafond draaide een camera en het rode, knipperende licht vertelde mij dat er minutieus gelet werd op de bewegingen van de winkelende bezoekers. Op de achtergrond hoorde ik een simpel sfeermuziekje dat kennelijk tot doel had om de gasten op hun gemak te stellen. Verderop pruttelde een grote pot koffie. Ik liep daar naar toe en schonk wat van de warme, bruine massa in een plastic beker. Zo'n eerste bak koffie na de werkzaamheden kalmeerde het lichaam en ik moest toegeven dat het verrukkelijk smaakte.

Daarna vervolgde ik mijn weg en belandde op de broodafdeling waar de verkoopsters waarschijnlijk allemaal tegelijk hun lunchpauze hadden opgenomen. Ook hier was dus niemand aanwezig. Ik stopte twee melkwitte broden in het karretje. Ze voelden lekker zacht en vers aan. Als je ze indrukte keerde hun originele vorm binnen enkele seconden terug. Ook de houdbaarheid datum op de broodjes stemde me tevreden en bovendien werden zij aangeboden voor de helft van de prijs. Een super voordelige aanbieding dus. Bijna alle boodschappen leken trouwens een stuk goedkoper dan de artikelen die ik doorgaans dichter bij huis kocht. Om deze reden moest een stukje omrijden toch de moeite waard zijn. Het verdiende zich vanzelf terug.

Bij de tijdschriften stopte ik eventjes en keek of er iets van mijn gade bij zat. Ik had daar een bepaalde routine in opgebouwd. Eerst de grote koppen lezen om daarna een magazine ter hand te nemen om te zien of de vlag inderdaad de lading dekte. Meestal was dit niet het geval omdat de schreeuwende titels alleen publiekstrekkers waren. Uit de rekken pakte ik een periodiek uitkomend computerblad en bladerde door de inhoud. Een artikel over het digitaal aanbieden van fotomateriaal trok mijn aandacht, maar ook niet meer dan dat. De uitleg over een nieuw software pakket leek me interessanter, maar toen ik eenmaal de aanschafprijs van het computerprogramma had gezien legde ik het tijdschrift weer terug op zijn plaats.

Het grote aanbod van Cd's en koopvideo's was waarschijnlijk nieuw. Snel keek ik of er recente titels voorradig waren maar schrok van de prijzen die overduidelijk afweken van prijzen die ik kende vanuit videotheken. Boven het rek hing een grote poster waarop een guitig, blond ventje stond afgebeeld. Met een aanstekelijke gretigheid hapte hij in een krom gekrulde boterham die met een dikke laag chocoladepasta was besmeerd. Zijn haartje waren door elkaar gewoeld en op zijn mondhoeken en aan zijn vingers zat het teveel aan broodbeleg gekleefd. Ook op zijn gezicht waren hier en daar bruine afdrukken van de pasta te zien. In de linkerbovenhoek van der poster stond het schreeuwerige opschrift: 'I love pasta' geschreven waarnaast de aanbieding omgerekend werd in een supervoordelige europrijs. De slogan dat drie pakken voor de prijs van één pak te verkrijgen zouden zijn deed me weinig origineel aan. Ik kneep de ogen halfdicht en probeerde het ventje van de poster in een wazig perspectief te zien. Op dat ogenblik voelde ik dat er iemand in mijn hand kneep.

'Hé, meneer. Ik sta hier'. Ik keek naar beneden en zag het ventje van de poster naast me staan. Het was nog een kleuter die niet hoger dan tot mijn middel reikte. Zijn vlassige haartjes leken nog springeriger dan op de foto en zijn ondeugende blik was een vreemdsoortige mengeling van brutaliteit en ontwapening. Met zijn kleverige vingers smeerde hij de pasta op mijn hand en ik was te verbouwereerd om te voorkomen dat hij zijn gezicht tegen mijn broek drukte. Grote chocoladevlekken alom. Ik pakte een zakdoek uit mijn broek en bukte om zijn mondhoeken en handen schoon te vegen. Daarna pakte ik een kam uit de binnenzak van mijn jas en ordende zijn wilde haardos. Voor een kort moment liet hij dat toe en trok vervolgens aan mijn hand terwijl hij naar de rekken met snoep wees. Het was duidelijk dat hij daar naar toe wilde.
'Kopen meneer', sprak hij met twee woordjes. Eigenlijk had ik niet zoveel zin om kinderlijke lekkernijen aan te schaffen, maar de grote zak met spekkies keek me te uitnodigend aan. Ik kon de verleiding niet weerstaan. Ook een kilo engels drop en ander zoet spul verdween in het karretje waarna mijn kleine gids weer ongeduldig aan mijn hand trok.

Hij stopte bij de suiker en bukte om een pak in zijn hand te nemen. Die zette hij vervolgens op de grond en pakte er nog eentje om die daarnaast te zetten. Aanvankelijk begreep ik zijn bedoeling niet, maar toen een derde pak volgde begreep ik dat hij de pakken aanzag voor blokkendozen. Voorzichtig probeerde ik de suiker terug te zetten maar het knaapje versnelde zijn bewegingen. Zo buitengewoon snel zelfs dat ik hem niet meer kon bijhouden. Binnen enkele seconden stonden er dertig pakken op de grond en stapelde hij ze zorgvuldig op elkaar. Hij maakte een trap en probeerde die te bestijgen. Het eerste pak sprong open en de suiker stroomde over de grond. Hij sprong en lachte luid toen nog meer pakken sneuvelden. Terwijl ik om me heen keek schaamde ik mezelf. Gelukkig was er niemand te zien en de camera die boven aan het plafond hield bleek het niet te doen. Ik trok het kereltje weg.

Bij de koeken was zijn aandacht opnieuw afgeleid. Behendig haalde hij een pak glacés uit het rek en opende de verpakking. Voordat ik kon ingrijpen had hij een roze koek in zijn mond gestoken en keek me olijk aan. Om hem te waarschuwen had ik moeten ingrijpen met een corrigerende tik op zijn handje. Hij had die tik stellig verdiend, maar dit ventje zag er te lief uit om te bestraffen. Ik bukte en pakte hem op. Daar zat hij rustig op mijn arm en ik keek hem recht in zijn mooie blauwe ogen.

"Zeg, luister eens. Je mag wel op een engeltje lijken …".

"Op dit ogenblik ben ik geen engeltje", protesteerde hij.

"Precies, als je er zo'n rommeltje van maakt dan ben je zeker geen engeltje".

"Engeltjes hebben vleugels. Ik krijg nu geen vleugels".

"Oh, maar ik ken ook engeltjes zonder vleugels. Die gedragen zich heel wat beter dan jij doet".

"Engeltjes met vleugels hebben een probleem".

"Wat voor probleem zouden ze dan moeten hebben?".

"Engeltjes met vleugels kunnen nooit op hun rug slapen".

De kinderlijke wijsheid van dit kereltje had koddig geklonken. Maar hij verkondigde ook een waarheid. Zouden alle engeltjes op hun buik slapen? Of sliepen zij gewoon op hun zij? Vreemd, dat dit ventje over dit soort problematiek nagedacht heeft.

"Je weet het allemaal nogal goed. Heb je wel eens engeltjes gezien?"

Hij wees op de poster.

"Bij mij thuis".

De plaats op de grote reclamefoto waar zijn beeltenis in opgesloten had moeten zijn was leeg. Een grote vage vlek kleurde zijn silhouet, maar van een detailleerde uitvoering was geen sprake meer. Hij was kennelijk van de reclameplaat weggelopen.

"Broertje", wees hij naar de andere kant. Aan het einde van de gang tussen de schappen hing een andere reclamefoto. Ditmaal van een kereltje dat een glas melk zat te drinken. Wederom een afbeelding van zo'n oerdegelijk Hollands jong die zichzelf een injecteerde met een overdosis aan eiwitten. Hij had een zalig melksnorretje.

Met het ventje op mijn arm die bij mijn binnenkomst nog de chocoladepasta had zitten aanprijzen liep ik naar de aankondiging van melkproducten. De kartonnen boodschap hing net onder het plafond en als ik op mijn tenen stond kon ik het net aanraken.

"Niet doen. Niet doen. Anders maak je Zégido wakker", waarschuwde hij.

"Aha, en die Zégido is een broertje van je?".

Hij antwoordde niet en kneep ondeugend in mijn wang en mijn lippen. "Wat doe je?"

"Spelen", antwoordde hij. "Jij bent Papa".

"Ik zou best je Papa willen zijn, maar ik weet niet eens hoe je heet".

"Ik ben Orpheo".

"Hm, Orpheo en Zégido? Mooie namen. En jullie zijn natuurlijk een tweeling".

Hij knikte. Ik maakte een speels sprongetje en tikte tegen de reclameboodschap die door mijn aanraking bewoog.

"Zie je wel dat je broertje doorslaapt".

Op hetzelfde moment voelde ik twee armen om mijn rechterbeen. Ik keek naar beneden en zag dat het melk drinkertje zijn lippen aan mijn broekpijp afveegde. Ik was te laat geweest om hem weg te duwen en moest constateren dat mijn broek nu aan beide kanten besmeurd was.

"Gadverdamme", wierp ik hem toe. "Dat gaat je geld kosten voor de stomerij".

"Wat is stomerij?", eiste Orpheo onmiddellijk alle aandacht op.

"Dat is zoiets als een grote badplaats waar ze vieze engeltjes als jullie wassen".

"Kunnen we daar ook zwemmen?"

"Ja, daar kan je ook zwemmen", antwoordde ik en zette het kleine blonde ventje op de grond. "Ga nu maar even spelen met elkaar want ik heb nog een heleboel boodschappen te doen".

Nu ze zo vlak naast elkaar stonden kon ik ze goed vergelijken. Ze waren even groot en hadden dezelfde olijke en ondeugende gelaatstrekken. Bij een eerste oogopslag zou je inderdaad de indruk kunnen krijgen dat ze broertjes van elkaar waren. Maar misschien was er alleen sprake van een familieband. Ik zou het niet kunnen beantwoorden. In ieder geval kenden ze elkaar en hoorden ze niet bij mij. Nadat ze elkaar enkele seconden hadden aangekeken liepen ze op elkaar af en gaven een kameraadschappelijke kus.

"Ik vind jou lief", zei Orpheo vol overgave.

"Ik jou ook", zuchtte Zégido.

"Ga mee. Ik weet nog een geheime plaats".

"Ja". Zonder nog om te kijken verdwenen ze uit het gezichtsveld.

Ik duwde het wagentje voor me uit en probeerde niet meer te denken aan de 'tweeling' die zo plotseling mijn aandacht had opgeëist. Ach wat, ik zal het hele voorval wel gefantaseerd hebben. Engeltjes die zomaar uit een reclameposter weglopen zijn gemakkelijker onder te brengen in een fantasierijke televisieserie dan dat dit was in te voegen in de realiteit. Misschien was de vermoeidheid van de dag me teveel geworden. Een koude douche bij thuiskomst zou me beslist goed doen. Ondertussen nam ik de prijzen van de koopwaar in de schappen goed in me op. Ik hoefde alleen nog maar een bezoekje af te leggen bij de drogisterij en in de diepvriesvakken te kijken. Daarna zou ik naar huis kunnen.

Het was moeilijk om een keuze te maken uit het grote assortiment luchtjes. Van elk artikel deed de verpakking zo verfrissend aan dat ik eigenlijk alles had willen kopen. Ik lachte bij de gedachte. Als ik daadwerkelijk alles zou aanschaffen dan zou ik de badkamer flink moeten uitbreiden om nog enigszins plaats te bieden aan al die deodorants, haarlak, gel en al het andere. Ik had al zoveel. Bovendien zou er dan nauwelijks plaats meer zijn voor mezelf om te badderen. Ik besloot tot de koop van een aftershave en wat doucheshampoo en liep vervolgens door naar de vriesvakken. Er was nog steeds niemand te bekennen. Die stilte verschafte me de gelegenheid om de goedkopere pizza's naar de oppervlakte te vissen. Een medewerker van de supermarkt had de minder dure artikelen waarschijnlijk handig verstopt.

Plotseling kwam een druk gebarend verkoper op me toelopen. Hij schreeuwde in mijn richting maar zijn woorden waren nauwelijks verstaanbaar. Halverwege bleef hij stil staan en wenkte mij om hem te volgen. Ik deed wat er wat me verwacht werd en om de hoek gekomen zag ik waar zijn ontsteltenis op gebaseerd was. Ravage. Orpheo en Zégido hadden dozen met eieren opengetrokken er waren bezig om elkaar volop te bekogelen. Ze lachten, hadden plezier en hadden onze aanwezigheid nog niet opgemerkt.

"Horen deze twee jongens bij U?", vroeg de winkelier ontdaan.

"Ja, eh nee", stamelde ik ietwat onhandig.

Ik knipte met mijn vingers en de broertjes keken op. Gehoorzaam kwamen ze naar me toe en probeerden vergeefs de ondeugende twinkeling in hun ogen te verbergen. Op de grond, tegen de rekken en zelfs tegen het plafond waren de projectielen neergekomen en het verbaasde me dat ik in die stille zaak absoluut niks van het eierengevecht had gehoord.

"Hij is begonnen", dreinde Orpheo die Zégido aanwees.

"Nee, hij is begonnen", schreeuwde de ander.

"Ja, zeg eens even. Bent U nou wél de vader of niet?", brieste de verkoper.

"Papa, we willen naar huis".

"U begrijpt dat we U aansprakelijk stellen voor de schade".

Ik knikte begrijpend wetende dat een weerwoord nauwelijks zou helpen. Wat had ik moeten zeggen? Dat die knaapjes uit een poster waren weggelopen en dat ze mij voor hun vader aanzagen? Met een dergelijk vaag en onrealistisch betoog zouden ze me onmiddellijk voor gek verklaren. Eieren waren gelukkig niet onoverkomelijk duur.

"Maakt U de rekening maar op, dan betaal ik aan de kassa".

De verkoper baande zich weg en liet me alleen achter met de twee belhamels. Ze keken me beiden vol schuldbesef aan.

"Je begrijpt dat ik hier niet blij mee bent", sprak ik boos.

Hun hoofden zakten en lieten de tirade gelaten over zich heenkomen.

"Maar hij…", pruttelde Orpheo nog. Daarna zweeg hij.

"Jullie ruimen de boel hier op. En daarna verdwijn je naar de plaats waar je thuis hoort".

Tranen vielen bij beiden. Het was een aandoenlijk aangezicht maar ze moesten weten waar ze stonden. Even later voelden ik hoe ze mijn hand pakten.

"Papa?", begon Orpheo het gesprek.

"Ja?"

"Als we de boel moeten opruimen dan zullen we U nooit meer zien".

"Wat bedoel je met nooit meer zien? Oké. Ik beloof hierbij plechtig dat ik vanaf nu elke keer in deze winkel boodschappen kom doen. Dan kan ik jullie posters zien hangen. Dan kan ik jullie zien en jullie zien mij".

"Maar wij gaan liever met U me naar huis. Wij houden van U".

"Geen sprake van", onderbrak ik de sluimerige inzet. "Daar komt niks van in en nu voor de laatste keer: de rommel opruimen".

Nog even voelde ik dat ze mijn handen streelden waarna een moment van wazigheid volgde. Toen de nevelen weer opgetrokken waren stonden de eieren weer in het rek en was de glibberige substantie van de vloer verdwenen. De beide knaapjes waren verdwenen. Ik keek in het rond en zag als eerste de poster waarop het chocoladepasta verslindende jochie stond afgebeeld. Hij was weer terug, ook al waren zijn mondhoeken en vingers niet meer besmeurd met pasta. Bovendien zag zijn haar er keurig gekamd uit. De gretige glimlach op zijn gezicht was verdwenen en zijn ogen stonden droevig. Ik zuchtte diep en draaide me om. Verderop zag ik de poster van de zuivelcampagne. Het gezicht van Zégido stond op huilen en het glas melk dat voor hem stond leek onaangetast. Van het bekende witte snorretje was niks meer te bespeuren.

Ik schrok op uit mijn gedachten omdat ik telkens iemand hinderlijk met een winkelwagentje tegen mijn benen aan voelde duwen. Boos keek ik om en zag een verachtelijk klein, vet volksmadammeke die me ongeduldig aankeek. Haar ogen spoten vuur.

"Als U die plaatjes van die kinderen nou echt zo mooi vind dan kan je ze beter kopen. Je staat hier ontiegelijk in de weg".

Ik deed een stap opzij maar werd onmiddellijk in de rug geduwd door iemand die achter me stond.

"Ja. Hallo. Kan U niet uitkijken waar U loopt, meneer?", riep een huisvrouw me bits toe.

Ik schrok. Overal waar ik keek zag ik winkelende mensen. Mensen die er net nog niet waren. Zou de betovering dan opgeheven zijn of had ik het me de hele gebeurtenis ingebeeld? Ik schudde het hoofd en duwde mijn volle winkelwagentje naar de kassa. Ik glimlachte. In ieder geval kon niemand mij meer een rekening voor kapotte eieren onder mijn neus frommelen.

Het wachten bij de kassa duurde lang. Ik had een achttal mensen voor me die uitgerekend allemaal hun weekinkopen hadden gedaan. Bovendien ontbraken er hier en daar wat streepjescodes waardoor kostbare tijd verloren ging aan het nazoeken van de prijzen. De traagheid van de caissičre deed ook geen goed aan het snel afwikkelen van de kastransacties. Toen ik uiteindelijk voor haar stond keek ze me bedachtzaam aan.

"Heeft U ergens met Uw broek tegenaan gestaan?", giechelde ze.

Ik keek omlaag en zag dat de ene broekspijp besmeurd was met chocolade terwijl de andere kant melkvlekken vertoonde. Verrast keek ik haar aan. Zou ik het dan toch niet gedroomd hebben?

Heeft U daarnet twee knulletjes gezien? Misschien hebben ze wat afgerekend of zo?".

"Nee, meneer. Hier zijn de laatste uren geen knulletjes voorbij gegaan".

"Zeker weten?"

"Meneer, ik ziet hier al de hele middag. Dan zou ik het toch moeten weten".

"Ook geen klachten gehad over een eierengevecht?"

"Meneer, U bazelt. Graag opschieten nu, want er staat een hele rij achter U". Snel haalde ze de boodschappen door de scanner. Daarna rekende ik af en stopte ik de artikelen in twee grote boodschappentassen.

Buiten gekomen huiverde ik even. De temperatuur was flink verschraald en de wind blies dwars door mijn kleding. Er waren fikse regenbuien voorspeld, maar gelukkig bleef deze voorspelling uit, Er zou anders gemakkelijk ijzelvorming kunnen ontstaan. Door mijn werkzaamheden bij het verzekeringenkantoor wist ik hoeveel schadeclaims van weggebruikers zouden kunnen volgen. Slippen, botsingen en menselijk leed waren bij dit weertype dan ook niet ondenkbaar. Bij aanhoudende vorst zouden de waterleidingen gemakkelijke kunnen springen waardoor kelders zouden kunnen onderstromen. Als de voorspelling zouden doorzetten dan kon ik er verzekerd van zijn dat ik het behoorlijk druk zou kunnen krijgen op de eerste werkdag van de week. Nu was echter tevreden omdat ik klaar was met het inkopen van de wekelijkse voorraden. Het weekend kon beginnen. Ik liep naar de auto en opende de achterklep om de boodschappen op te bergen. Onderweg luisterde ik naar muziek op de radio en dacht geen ogenblik meer terug aan de gebeurtenissen die waren voorgevallen in de supermarkt. Na een klein kwartiertje rijden sloeg ik de bocht door waarna een kleine smalle weg volgde die toegang gaf tot de parkeerplaats. Rond dit uur waren de meeste plaatsen al bezet, maar achterin was er soms nog voldoende ruimte. Ook ditmaal behoorde ik tot de ongelukkige onder de thuiskomers en zette mijn wagen weg aan de rand van de parkeerplaats. Vervolgens haalde ik de boodschappen uit de achterklep haalde de rits van mijn jas nog eens extra omhoog. Het was ijzig koud geworden. Bitter koud.

De boodschappentassen waren overvol en daardoor een loodzware last. Af en toe moest ik stoppen om mijn armen een moment van rust te geven en becijferde hoe ver ik nog moest lopen. De afstand tussen mij en de ingang van de flat bedroeg nog maar een schamele vijfentwintig meter. Ik pakte de tassen weer op en besloot om die afstand ditmaal in één keer te overbruggen. Als ik eenmaal in de hal was dan had ik het zwaarste gedeelte van de klus achter de rug. Er zou nog een lift volgen. Die zou me vervolgens naar boven brengen en daarna moest ik nog een klein stukje lopen op de galerij. Vlak voor de deur van de hal hoorde ik geluiden.

"Wie daar?", keek ik om me heen. Twee kleine mannetjes kwamen aangelopen.

"Waar bleef U zo lang? Wij staan hier al een kwartier te wachten".

"Orpheo? Zégido?"

"Ja. Wie anders?"

"Jullie zouden toch op je plaatsjes blijven, op de posters?"

"Eerst wel. Maar de winkelbaas gaat volgende week andere reclames ophangen. Dan zouden wij U nooit meer kunnen zien. Dan zouden we U zeker gaan missen".

"Maar, hoe komen jullie dan zo snel hier?"

"Dat is ons geheim".

Ik schudde mijn hoofd. Zou ik dan nooit van die twee bengeltjes verlost worden? Of was het allemaal maar een droom?

"Kunnen we nu wel bovenkomen?", vroeg Zégido.

"Ja", sprak ik aarzelend. "Houdt de deur maar open dan kunnen we boodschappen in de lift zetten". De jongens keken elkaar verbaasd aan en lachten.

"Zullen wij de boodschappen voor U dragen, Papa?"

"Doe eens niet zo mal. Die tassen zijn veel te zwaar voor jullie. Voel maar".

Orpheo controleerde het gewicht en haalde zijn schouders op. Daarna richtte hij zijn blikken op Zégido die met het gebeuren nauwlettend had gevolgd.

"Niks aan", leek hij te bluffen. Ik zal nooit vergeten dat die knaapjes in de ijzige kou hun warme jakkers uittrokken. Verbaasd om deze handeling pakte ik de kledingstukken aan en vroeg me af wat ze van plan waren.

"Draag U de jassen maar, Papa. Dan brengen wij de boodschappen naar boven".

"Hoe denken jullie dat te doen?"

Op hetzelfde moment zag ik dat op hun rug enorme vleugels uitklapten. Mooie witte vleugels die bij engelen behoorden. Ze pakten elk één van de boodschappentassen op en fladderden omhoog.
"Tot straks op de veertiende etage".

"Dag Paps", hoorde ik Zégido.

Compleet verbouwereerd opende ik de deur van de hal. De lift stond er al en ik kon zo naar binnenschuiven. Terwijl de ik op de veertiende knop drukte lachte ik om de streken van mijn kleine duifjes. Werkelijkheid of niet, vanavond zou ik achter het geheim komen of engeltjes op hun buik of op hun zij slapen.

Johnny,15/16-02-2002

Alle teksten ressorteren onder JRvanDriel©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend. De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden.

Johnny

terug naar boven