Verhalen

Johnny, knechtjes van Kataai

Als de deur van het café openzwaait komt het geroezemoes van stemmen en een doordringende geur van alcohol verwelkomend op mij afgesneld. Het leidt geen twijfel, hier wordt flink geschonken. Alhoewel er een rookverbod van kracht is in de tijdelijke horecagelegenheden hangt er een walm die de bezoekers met een grijs waas omsluiert. Het maakt de ambiance mysterieus, maar mijn ogen moeten wennen aan de prikkelende werking van brandend tabak. Ik rook zelf niet, nooit gedaan, en zal daarom niet makkelijk kunnen wennen aan de overgang van de frisse buitenlucht naar de bedompte atmosfeer binnen het kleine café. Een korte hoestbui dient zich aan en mijn ogen zijn betraand.

"Heb je last van de rook?", giechelt een barhoertje die mijn binnenkomst al ras heeft opgemerkt.

Ze moet wel alert zijn, het is haar werk. Snel klanten afraffelen in een benauwd peeskamertje om daarna het zweetgeld in ontvangst te nemen. Het zal ze een zorg zijn of de gast uit zijn bek stinkt of zich dagenlang niet gewassen heeft. Zolang ze maar voor hun bemoeienissen beloond worden zijn ze voor alles in. Diep in me koester ik medelijden met dit soort werkvrouwen die gevangen zijn in hun blanco imago. Ze hebben geen naam, geen gezicht en ook geen nummer. Ze mogen alleen maar blond zijn en hebben een kunstmatig aangebracht en verhoogd libido waardoor ze eindeloos in een bukfase blijven steken. In het voorbijgaan sla ik ze ferm op een bil en lach ze toe.

"Ga jij maar met je Pimp naar bed. Die moet je vast nog wat technieken bijbrengen".

Ze spuwt vol minachting voor mijn voeten en trekt haar neus hautain op. Ik ken die reactie, ze is gekwetst in haar eergevoel en zal alles proberen om mij met gelijke munt terug te betalen. Misschien overweegt ze wel om me volledig te negeren of om de andere stamgasten tegen mij op te zetten. Ik ben er klaar voor, maar zie dat haar boosheid wonderwel snel optrekt tot een glimlach en dat de pretlichtjes in haar ogen razendsnel terugkeren.

"Waar kom jij vandaan, vreemdeling?", herstelt ze zich.

"Van voorbij de drie manen. Mijn weg was lang en ik zoek een beetje vertier".

"Ik heb daar familie wonen. Misschien kan ik bij hen terecht als ik vakantie krijg".

Ze liegt. Voor zover ik weet wonen er alleen onverstaanbare inboorlingen voorbij de grenzen van ons melkwegstelsel en bovendien zullen barhoertjes nooit het genot van vakantie kennen omdat dit niet in hun CAO is opgenomen.

"Als ik morgen vertrek dan mag je met mij mee reizen. Ik heb een pendeldienst op Bazaar".

Ze zwijgt en ik weet dat ik haar met die vraag in het nauw heb gedreven. Ze heeft hier geen antwoord op.

"Laat maar", zegt ze uiteindelijk en drukt haar lippen nadenkend tegen een glas Alpenwijn.

"De volgende consumptie is van mij. Ik betaal".

Daarna draai ik me om en kijk naar de rest van de gasten die in een geanimeerd gesprek zijn verwikkeld of de tijd proberen te verdrijven met een gokspelletje. Bij de roulette koop ik een fiche en zet in op mijn geluksgetal. Nog voordat het wiel draait weet ik dat ik gewonnen heb. Wanneer ik mij concentreer kunnen mijn telekinetische gaven de snelheid manipuleren en heb ik maar uit te zoeken waar het balletje stilhoudt. Er is geen kunst aan en ergens begrijp ik niet waarom niet alle mensen het gebruik van "de onzichtbare" tentakels toepassen. Maar kennelijk ben ik de enige in dit drinklokaal die dit foefje beheerst. Als het wiel stopt schraap ik de gewonnen buit van tafel en schat dat ik een maandsalaris aan fiches heb gewonnen. De omstanders staren mij wazig lachend aan. In hun gedachten lees ik een flinke afgunst. Ik zal binnen de kortste keren wel veel vrienden hebben in dit café, want wie veel geld heeft…

Ik word op mijn schouders getikt en draai me half om. Er is niemand te bekennen en ik vraag me af of ik het me ingebeeld heb. Opnieuw voel ik een hand, ditmaal op mijn bovenarm. Het is een klein, blond jochie die me liefdevol aankijkt, Zijn blauwe kijkers zijn hartverwarmend en als hij zijn beide handen achter zijn hoofd legt en zich uitrekt breekt mijn hart open. Dergelijke knaapjes heb ik eerder gezien. Ze zijn geboren om knechtjes te zijn en zoeken meestal een meester als ze geslachtsrijp zijn geworden. Doorgaans vinden ze snel emplooi omdat ze onwezenlijk knap zijn. Ze zijn slim en kunnen zich goed staande houden in de grote mensenwereld. Totdat hun jeugdige charmes verrimpelen en ze van huid verschieten. Dan laten ze dat perzikzachte velletje voorgoed achter zich en worden ze minder populair omdat daarmee ook hun kinderlijke onschuld verdwijnt.

"Kataai?", vraag ik belangstellend.

"Yep. Kataai", lacht hij vriendelijk terug.

"Heb je al een meester?"

Hij wijst naar een hoek van het café.

"Mijn meester vraagt of je hem gezelschap wilt houden. Je krijgt wat te drinken van hem".

"Hm, een lekkere glaasje Stardrap kan ik niet afslaan. Ik loop wel met je mee".

De kleine Kataai loopt voor me uit en ik geniet van zijn loop. Hij swingt bijna vrouwelijk met zijn heupen en wiegt uitnodigend met zijn kontje heen en weer. Je kan aan zijn lichaamstaal zien dat hij al langer in het vak zit en fel begeerd zal worden door menig wellusteling die zijn bijna kwetsbare schoonheid wil aanraken. In dit deel van de wereld geeft het bezit van een Kataai een aanzienlijke status. Heb je er meer in dienst dan kan je zelfs rekenen op een behoorlijke toeloop van gasten die er veel geld voor over hebben om een nachtje door te brengen met één van die ondeugende rakkers. Ze zullen nooit falen want ze kunnen een situatie feilloos aanvoelen en zijn door de leden van het gezin van herkomst al volledig geïnstrueerd op seksueel gebied. Voordat ze worden uitgezonden hebben ze al meer ervaring dan een leeftijdsgenoot elders in het hemellichaam.

Als ik bij de tafel arriveer staat een rijzige man op. Hij is groot en ziet er barbaars uit. Tijdens de begroeting merk ik dat mijn hand volledig in de zijne verdwijnt en aan de kracht waarmee hij de begroeting onderstreept voel ik dat hij ongelofelijk sterk moet zijn. Daarna gaat hij weer zitten en ik kijk hem onderzoekend aan. Zijn wilde haardos en ruige tatoeages op zijn armen doen me denken aan een krijgsgevangen wildebras. Hij is nietsontziend en rolt met zijn biceps om indruk op me te maken. Ik ken zijn soort. Hij is uit op het geld van anderen en zal alles aanwenden om zich dat toe te eigenen. Eerst met trucjes en ander soort oplichting en als dat niet lukt dan worden dit slag mensen meestal gewelddadiger dan de zon die zijn kankerverwekkende stralen in je lichaam priemt. Snel scan ik zijn gedachten en lees dat hij een verwoed gokker is. Ik schat in dat hij me zal uitnodigen voor een kaartspelletje.

"De mensen noemen mij Broes. Ben je geïnteresseerd in jongetjes?"

"Alleen als ze zo mooi zijn als deze Kataai. Broes, is deze jongen van jou?".

"Bijna. Ik moet nog twee periodes betalen aan zijn ouders en dan wordt hij vanzelf mijn eigendom".

"Je kan jezelf gelukkig prijzen".

"Dat doe ik zeker. Bijna niemand heeft zo"n mooi knechtje als ik heb".

Wonderwel begint hij keihard te lachen alsof hij net een goede mop heeft verteld. Hierdoor schitteren zijn gouden tanden op door het licht van het spotje die op hem gericht zijn. Vervolgens plukt aan zijn baard en draait een nieuwe punt aan zijn grove snor. Daarna kijkt hij me strak aan en ik voel dat hij tot zaken wil komen.

"Ik zag je net een hoop geld winnen bij de roulette. Dat wil ik hebben".

"Dat zal niet gaan. Dat geld is van mij en dat ga ik niet zomaar afstaan".

Hij schuift zijn stoel achteruit en gaat staan.

"Als ik goddomme zeg dat ik dat geld wil hebben dan zal ik dat ook krijgen, begrijp je?"

Ik schud het hoofd. Als ik in deze fase laat zien dat hij me kan imponeren dan zal het slecht met mij aflopen. Hij zal er beslist niet voor terugdeinzen om geweld te gebruiken. Waarschijnlijk zullen ze me dan de volgende morgen achter het café vinden met een schotwond in mijn hoofd. Berekend afgemaakt door een koele moordenaar.

"Gaat zitten, klootzak. Je kan misschien wel indruk maken op je Kataai, maar ik heb wel voor hetere vuren gestaan. Wees blij dat ik me niet druk ga maken voor jou, anders sla ik je zo tegen de grond", sprak ik met lichte stemverheffing.

Ik had gebluft, maar het werkte. De knoest hield voor een moment zijn mond en ging demonstratief zitten. Er volgde echter nog wel een mondloze reactie op mijn verbale geweld. Met een woeste blik in zijn ogen gespte hij zijn laserpistool los en legde het moordwapen binnen handbereik op de tafel. Ik probeerde zijn gebaren te ontwijken maar, achteraf, liet ik me wellicht toch te veel meevoeren in zijn mimiek.

"Laten we er om gaan kaarten".

"Als ik dat wil".

"Natuurlijk wil je dat. Als Broes zegt dat je gaat kaarten …"

"Oké, oké. Ik heb geld. Wat is jouw inzet?"

De wildeman keek even in het rond en glimlachte naar de Kataai.

"Dat is mijn inzet", wees hij naar de blonde jongeling.

"Hm, een maandsalaris voor een Kataai. Weet je hoeveel ik verdien per maand? Voor dat geld kan je er zeker twee knechtjes kopen".

"Ik heb er ook twee in de aanbieding".

"Waar dan? Ik zie er slechts één".

"De andere wordt bestraald door het zwarte licht. Wil je hem zien?"

Ik knikte en hoorde hoe Broes met zijn vingers knipte. Uit een donkere hoek stapte een uitzonderlijk persoon onder de zwarte lamp vandaan. Hij was wanstaltig en een belediging voor je ogen. Bovendien was hij aan beide polsen en enkels gebonden aan zware kettingen.

"Waarom is hij geketend? Is hij je gevangene?"

"Dat is het lot van iedereen die zich niet als mijn vriend gedraagt".

"Kom nou toch, deze Kataai zit duidelijk onder de leeftijd. Wat is er met hem aan de hand?".

"Het is een wegloper, en bovendien een afschuwelijk gedrocht".

"Dat snap ik niet, alle soortgenoten horen toch van goddelijke schoonheid te zijn".

"Dat was die ook, maar er is iets mis gegaan in het transformatie kanaal. Toen hij zich aanbood probeerde ik hem op te zuigen, maar hij gebruikte een bi directionele instelling. Als ik niet had opgelet dan was ik zeker in zijn wereld beland".

"Maar hij lijkt ook niet op een Kataai. Dat zijn toch geen kroeskoppen?"

"Ik zou het niet weten. Misschien is hij wel van een onderliggend ras".

Er viel een korte stilte en ik verwonderde mij over de afzichtelijkheid van de nieuwe Kataai. Door de hoeveelheid haar kon ik nauwelijks zijn ogen zien, maar ik kon voelen dat hij mij vernietigend aankeek. Op zijn wangen en op zijn ontblootte armen droeg hij littekens die veroorzaakt zouden kunnen zijn door een vlijmscherm mes. Zijn bodywarmer was ongewassen en daardoor smerig en groezelig. Zijn broek was rafelig en veelvuldig voorzien van grote scheuren en winkelhaken. De linkerpijp was net boven de knie afgescheurd waardoor ik kon waarnemen dat zijn onderbeen zwaar verminkt was.

"Botbreuk?", wilde ik weten.

Broes bulderde het uit van het lachen en schudde zijn hoofd.

"Nee. We hebben laten meedoen aan een straatgevecht. Daarbij heeft hij zijn been gebroken. Deze Kataai is de waardeloosheid zelve en is helemaal niks waard. Hij verloor die partij. Dat heeft mij een hoop geld gekost. Teveel geld. Nu zal hij boete moeten doen voor zijn verlies".

"En die littekens?".

"Ach, wat zou het? Hij is een speeltje om jezelf mee te plezieren. Aangezien hij niet goed genoeg is om de gevoelens in je onderbuik te bevredigen moet hij zich toch op een andere manier nuttig kunnen maken?"

"En daarom bewerk je hem met een mes?"

"Juist. Weet je dat een echte Kataai bijna drie meter hoog kan springen als hij pijn heeft? Dat is werkelijk een kostelijk gezicht. Een vermaak waarbij je flink kan lachen".

"Vind je dat leuk om mensen pijn te doen?"

"Ik geniet er van. Zeker bij dit ventje. Hij heeft me doelbewust proberen te besodemieteren in het transformatiekanaal. Dit soort daden kan alleen maar beloond worden met een gepaste straf. Bovendien moet je dit soort oplichtertjes strak houden".

Even trok een energiestroom mijn aandacht weg. Was het de Kataai die me probeerde te lezen? Ik probeerde contact te leggen maar vond alleen een rommelige wirwar van fragmenten waar ik niks mee kon aanvangen. Kennelijk was hij te geavanceerd of waren zijn gedachten te verknipt om werkelijk binnen te dringen. Misschien stond hij het me ook niet toe. Het enige dat ik enkele malen terugkreeg waren beelden van zonovergoten stranden waar een zachte zomerbries met het losse zand speelde. Ik vroeg me af of die panorama"s door hem werden aangereikt of dat ze in mezelf ontstonden om me af te schermen voor zijn afschuwwekkende aanblik.

"Ik geloof niet dat ik interesse heb in deze Kataai. Ik ga liever voor de andere".

"Dat kan ik me voorstellen. Deze is behoorlijk lelijk. Overal op zijn lichaam groeit dat stugge schaamhaar. Tussen zijn tenen, tussen zijn vingers en zelfs op zijn rug. Bovendien kan je hem niet door zijn haar strijken zonder dat het ongedierte naar je handen toe kruipt. Hij is smerig. Als ik er tijd voor heb zal ik me binnenkort van hem ontdoen. Hij is alleen maar een blok aan mijn been".

"Je vind het toch niet erg als ik hem hier achterlaat als ik win?".

"Maak jezelf geen illusies. Winnen met het kaartspel zal je niet. Broes heeft nog nooit een partij verloren. En mocht je het in je hoofd halen om toch te winnen dan is mijn laserpistool de uiteindelijke rechter die zal bepalen dat je toch verloren hebt".

Ik huiverde en zag hoe hij nadrukkelijk op zijn schietwapen tikte waarvan de loop in mijn richting wees. Het was kwetsend om te zien hoe hij aan de kettingen van de jonge Kataai trok en hem daarna letterlijk onder de tafel trapte. Een moment later voelde ik hoe het gedrocht tegen mijn benen aan ging liggen en hoe hij bibberde van angst. Broes keek onder de tafel en gaf de Kataai een ferme schop in zijn zij. Een moment later hoorde ik hem kermen van pijn.

"Wie als hond is gekomen, zal ook als hond worden behandeld".

"Kom, we verdoen onze tijd. Laten we gaan kaarten".

Even later waren we verdiept in een hoogstaand spelletje blufpoker waarbij meer op het spel stond als alleen maar winnen. Het was een gevecht van leven of dood omdat ik wist dat het spel voor één van ons tweeën een dodelijke afloop zou kennen. Tenzij ik zou verliezen, maar ik was niet bevreesd. Ik was niet bang genoeg om het lot bij winst onder ogen te zien. Voor elk probleem is een oplossing en ik had altijd het geluk aan mijn zijde gevonden in moeilijke omstandigheden. En daarvan was dit een sprekend voorbeeld.

Tijdens het spel hoorde ik hem grommen. Het geluid kwam van diep, van binnenuit. Broes deed er niks aan om zijn teleurstelling te verhullen als hij weer een goed dek kaarten uit handen moest geven. Telkens kon ik goed inpassen en overrompelde hem met een strategie die hem vreemd was. Het kostte weinig moeite, want al zijn zetten leken mij al vooraf bekend en daarbij had ik niet eens gebruik gemaakt van een hoog scanniveau. Nauwlettend bestudeerde ik zijn ingehouden woede en keek naar zijn nerveus trillende handen. Psychisch gezien had hij last van een zwelprobleem, groeien, groeien en nog eens groeien. Tot hij niet meer verder kon en zijn emoties uit elkaar zouden klappen. Ik was alert en telkens als zijn hand in de richting van zijn lasergun afdwaalde, wist ik dat zijn zelfvertrouwen langzaam afbrokkelde en de overwinning nabij was.

"Gore klootzak, je hebt vals gespeeld", brulde hij me bits toe toen ik de laatste slag had gemaakt.

Ik schudde het hoofd.

"Op welke wijze zou ik vals hebben kunnen spelen? We gebruiken de kaarten die je me zelf heb aangeboden en, op mijn woord van eer, zweer ik je dat ik nog nooit heb gegokt. Laten we het maar op beginners geluk houden. Niets meer en niets minder".

Broes keek me verbeten aan. Zijn ogen schoten vuur en aan zijn houding kon ik zien dat hij de kansen berekende om zijn vuurwapen van tafel te grissen. De afstand tussen ons beiden was gelijk en waarschijnlijk weerhield dit hem omdat hij niet kon inschatten wie er sneller zou zijn. Ik glimlachte hem ontspannen toe.

"Ben jij een man die woord houdt?"

"Dat ben ik zeker", sliste hij tussen zijn tanden. "Reken er maar op dat ik je kapot maak".

In de momenten die volgden speelden de handelingen zich rap tempo af. Zijn lichaam schoot vanuit stilstand naar voren terwijl zijn hand naar de kolf van zijn vermeende redmiddel greep. Ik had gewacht op deze reactie en wist dat ik sneller zou zijn. Misschien niet om het straalpistool als eerste weg te nemen, maar ik kon het een zwieper geven met mijn vlakke hand, waardoor het handwapen met een donderend geraas op de grond viel. Daarna leunde hij met de achterste stoelpoten achterover en gaf een fikse trap tegen de tafel die bijna mijn buikwand binnendrong. Ik greep naar de pijnlijke plekken en hapte naar adem terwijl ik de reus vanuit mijn ooghoeken op mij af zag komen. Ditmaal was hij te snel en duwde me fors omver. Ik tuimelde over het tafeltje van omstanders die uit voorzorg waren weggevlucht. Ze kenden de knoest en wilden niet graag ooggetuige zijn van een nieuwe moordpartij. Door de val schoten de pijnscheuten door mijn rug, maar desondanks probeerde ik me op te richten. De neus van zijn laars priemde vol vuur onder mijn kin en deed mijn nek kraken. Opnieuw krabbelde ik overeind en zocht dekking tegen een tussenmuur. Net toen ik een tegenaanval probeerde in te zetten hield ik in. Een woest en dierlijk gegrom vulde het drinklokaal.

Broes en ik keken geschrokken naar de plaats waar het overweldigende geluid vandaan was gekomen. Een moment stond hij perplex en begon toen te bulderen van het lachen.

"Het lijkt er op dat je een medestander hebt gevonden".

"De Kataai", flitste het door mijn hoofd.

Daar stond hij, het gedrocht. Op twee meter van ons vandaan en hield het straalpistool dat hij op de grond had gevonden met beide handen op Broes gericht. Zijn ogen waren vol bitterheid, maar zijn lichaam was een toonbeeld van vastberadenheid.

"Heb je dit ooit meegemaakt?", keerde Broes zich naar mij.

"Een Kataai die zijn meester onder schot houdt?"

Hij lachte nogmaals, ditmaal spottend en met een groeiende onzekerheid. Hij deed een stap naar voren maar verstijfde bij het horen van het klikken van de ontgrendeling. Kennelijk wist de Kataai dondersgoed hoe hij met wapens moest omgaan.

"Ik had dat duivelsjong kapot moeten maken toen het nog ging", brulde hij. "Weet je nog, Kataai, dat ik het bloed uit je wangen sneed terwijl je het uitkermde van de pijn? Toen was je willoos en machteloos. Ik had je kunnen doden, maar ik heb je laten leven. Je betaalt me nu onmiddellijk mijn goedheid terug. Val me nu niet meer lastig en leg dat pistool neer, voordat ik me een ongeluk aan je bega".

De Kataai had onbewogen geluisterd naar de zinnen van Broes. Zinnen die eerder als een smeekbede hadden geklonken omdat ze elke kracht van een opdracht misten. Hij wist dat de rollen in het machtspatroon waren omgekeerd en dat de houder van het pistool kon beschikken over leven en dood. Elke fout zou nu fataal kunnen zijn en de Knoest besloot om de aandacht af te leiden door zijn scheldkanonnades op mij te richten.

"Als jij niet was gekomen, bloedhond, dan had ik deze situatie nooit hoeven op te lossen. Je bent dood, denk er aan je bent dood".

"Voorlopig leef ik gewoon verder en de Kataai houdt nog steeds zijn wapen op je gericht".

"Dat verknipte beest zal jou ook neerstralen. Denk je dat hij het alleen op mij heeft gemunt? Het is een woesteling die geen enkel begrip heeft voor alles dat leeft. Het zal ons allemaal uitmoorden".

Niemand van de aanwezigen reageerde. Ook ik wenste niet in te gaan op de plotselinge ommekeer van Broes en zijn roep om samenwerking. Hij moest zijn zaakjes zelf maar oplossen. Alhoewel iedereen het verwachtte schoot de man toch tamelijk onverwacht naar voren en wierp zich woest op de gewapende Kataai. Tegelijkertijd met zijn aanval klonk het inbranden van de laserstraal. De ontlading van energie was zo heftig dat de verlichting aan de bar en bij de tafeltjes uitviel. De noodverlichting flitste aan. In een oogwenk was het lokaal vervuld met de lucht van geschroeid vlees. De Broes kermde erbarmelijk in zijn doodsstrijd. De Kataai richtte andermaal zijn wapen. Een nieuwe flits echode door de ruimte, waarna een angstaanjagende stilte volgde. De knoest, een sadistische machtswellusteling, was dood. De Kataai en ik keken elkaar luttele seconden aan en wisselden in ijltempo van gedachten. Daarna keek hij naar zijn wapen en zette het aan zijn slaap.

"Nee stop. Doe dat niet. Je hebt jezelf nu toch verlost van de tiran? Geniet liever van de vrijheid die je hebt terugveroverd. Het leven kan nog zo zoveel mooie dingen voor je brengen", probeerde ik hem van zijn daad te weerhouden.

Hij schudde zijn hoofd en wenkte mij naderbij te komen. Ik aarzelde, maar besefte dat ik weinig keuzes had. Schoorvoetend liep ik op hem af en stopte op het moment waarop hij dat aangaf. Zijn wapen hield hij immer tegen de slaap gedrukt alsof hij bang was dat ik hem zou kunnen overmeesteren. Hij fluisterde en ik kon hem niet verstaan. Godverdomme, ik kon niet horen wat hij zei. Het kon wel belangrijk zijn. Waarschijnlijk zag hij aan mijn gezicht dat zijn woorden niet tot mij waren doorgedrongen en hij herhaalde de zinnen rustig, ditmaal luider.

"Geef me een naam, Meester".

"Meester, meester? Ik ben je Meester niet. Je bent vrij. In godsnaam, je bent vrij".

"Een naam. Ik wil een naam. Alstublieft, meester. Geef mij een naam".

Ik gooide mijn hoofd wanhopig naar achteren en dacht koortsachtig na. Diverse namen flitsen voorbij, maar ik kon niet één naam vinden die bij hem paste.

"Snel, de tijd dringt", fluisterde hij opnieuw.

"Oké, oké boy. Geef me de tijd. Ik zal een mooie naam voor je vinden. Maar…"

"Bhoi, dat is een mooi naam", verzuchtte de Kataai terwijl hij me bijna verliefd aankeek.

"Ik zal als Bhoi wederkeren". Voor een laatste maal keek ik naar zijn verminkte lichaam en zag hoe hij zijn gekromde vinger om de trekker spande. Ik kon hem niet meer helpen. In de gradatie waarmee hij zijn vorige schoten had gelost begreep ik dat er nog één ontlading in zijn pistool aanwezig moest zijn. Die had hij achterwege gelaten voor zichzelf. Om afscheid te nemen van een leven dat niet gebracht had wat hij had verlangd. Op het moment dat hij zijn ogen dichtkneep loste hij het ultieme schot. De Kataai viel levenloos op de grond. Zijn gezicht stond in een grimas waarop de struggle for live diep stond ingegroefd. Ik bukte en streek zachtjes met mijn hand onder zijn bodywarmer. Zijn huid schilferde bij mijn aanraking en het ongedierte snelde weg uit zijn haardos. Ik tilde hem op en drukte hem tegen mij aan. Het laatste traanvocht liep in mijn nek en het bloed uit de schotwond plakte tegen mijn wang. Voorzichtig gaf ik het ontzielde lichaam een liefdevolle kus op zijn voorhoofd en legde het op een tafel. Het was dezelfde tafel die we gebruikt hadden om te kaarten. Daarna pakte ik een stoel en schoof aan om naar hem te kijken. Wat een verspilling van leven. Maar ik kon me voorstellen dat hij een afscheid wilde. Niemand zou hem accepteren met deze belichaming. Zijn keuze was slechts een vlucht om de ellende te ontlopen want in de vrije buitenwereld zou hem eveneens een gewisse dood voorbestemd zijn. Gekwetsten konden daar nu eenmaal moeilijk voeding vinden waardoor het hen zou ontbreken aan onvoldoende weerstand.

Tenzij, ja tenzij, ik me over hem had ontfermd. De tijd was echter te kort geweest om hem dat te zeggen.

Ik voelde een hand op mijn schouder die me bewust maakte dat alles voorbij was. Het was de andere Kataai, die me liefdevol aankeek. Volgens de kaartwetten die Broes en ik hadden opgesteld was ik nu zijn nieuwe meester geworden. Ik zou blij moeten zijn met zo"n nieuwe aanwinst, maar de verbittering overheerste.

"Je hebt goed gehandeld, meester", sprak hij trots.

"Goed gehandeld? Goed gehandeld? De dood waart hier rond. En ik neem mezelf kwalijk dat ik dit niet heb kunnen tegenhouden".

"Je hebt zelfs meer gedaan dan dat. Je hebt het leven van mijn broertje gered".

"Welk broertje? Zijn hier nog meer Kataai"s?"

"Nee, Bhoi en ik waren de enige".

"Maar ik heb toch zelf gezien dat Bhoi zelfmoord heeft gepleegd?".

"Hij wás dood. Maar omdat U hem een naam heeft gegeven zal hij terugkomen".

"Huh? Leg dat maar eens even uit".

"Ik heb dorst".

"Oké, dan drinken we eerst wat en daarna ga je me alles vertellen".

Het blonde ventje knikte. Zijn lange haardos viel morsig op zijn voorhoofd waarna hij het met zijn rechterhand weer op zijn plaats streek. Hij was knap. Misschien was hij wel het knapste ventje die ik de laatste decennia gezien had. Zijn mooie, blauwe ogen fonkelden helder en zijn slanke, gebronsde hals liet zich uitdagend zien. Ik genoot om de wijze waarop hij de verfrissing gretig van het dienblad griste en het aan zijn lippen zette. Hij stopte al zijn gulzigheid in één lange teug en hikte nog wat na toen het glas leeg was. Even staarde hij voor zich uit en na deze aarzeling begon hij zijn verhaal.

"Bhoi en ik zijn geboren Kataai"en. Dat woord is ontleend van onze voorouders. Geleerden hebben kunnen achterhalen dat wij afstammen van de katachtige. Meestal leggen de mensen de klemtoon verkeerd als ze de naam van ons volk uitspreken. Het moet eigenlijk klinken als Kat-aai en niet als Kààtaai waarbij het accent vooral op de eerste lettergreep ligt".

"Hm, dat wist ik niet".

"Er is nog zoveel dat je niet weet, meester".

"Vertel door".

"Ik werd gevangen door de man die zich Broes noemde. Ik wilde weg, maar hij liet me niet gaan. Na veel zoeken kwam Bhoi er achter waar ik was en legde een communicatiekanaal aan om de man naar de wereld te trekken waarin ik thuishoor. Daar hadden ze hem kunnen overmeesteren en recht doen spreken omdat slavernij op onze planeet strafbaar is. De apparatuur van Broes was sterker en Bhoi werd in de transformatietunnel getrokken. De man heeft toen doelbewust een frequentie aangezet om mijn broertje te verminken".

"Dat is hem aardig gelukt. Zag hij er écht net zo uit als jij?"

"Precies hetzelfde. Niemand kon ons van elkaar onderscheiden".

"Zonde van je broertje. Ik bedoel, hij had nog zo"n lange weg te gaan".

"Dat komt wel goed. Bhoi heeft zijn zevende leven uit dankbaarheid aan U geofferd. Een kat heeft negen levens, weet U wel?"

"Maar…"

"Wij blijven U alle twee dienen tot Uw leven versleten zal zijn en U opgeroepen zal worden om te sterven. Dan sterven wij met U mee en gebruiken ons negende leven om naar huis terug te keren. Dat is alles wat we kunnen doen".

"Maar wat zal er dan gebeuren met Bhoi? Als hij zo zwaar verminkt is dan kunnen jullie beter direct naar huis teruggaan".

De Kataai zuchtte en keek me liefdevol aan.

"Als een Kataai een belofte maakt naar iemand anders of naar zichzelf dan moet hij zich daar aan houden. Anders krijgen wij geen nieuwe levens meer toegewezen".

Hij wees naar de plaats achter mij waar ik de Kataai op de tafel had gelegd. Doordat ik geboeid was door het verhaal had ik hem voor een moment vergeten. Ik draaide me om en wreef verbaast in mijn ogen. Voor mijn gezicht voltrok zich een proces dat in geen enkel boek beschreven stond. De aangetaste huid van de dode Kataai leek zich te herstellen. Overal waar ik keek verdween de stugge, schilferende oppervlakte en maakte plaats voor een zachte jongenshuid waar geen plaats meer was voor littekens of andere oneffenheden. De ware kleuren en levensuitstraling keerden langzaam terug.

"Maar, maar. Dit kan toch niet?".

"Toch wel, leg je hand op zijn been".

Ik vond het eng om de plaats aan te raken waar het onderbeen gebroken was. De botten waren knokkelig en scheef aangegroeid. Onder mijn hand voelde ik een warme gloed en een zachte beweging. Er was expansie op de plaats waar het bot zich op de juiste plaats probeerde aan te hechten. Seconden later smolt de breuk samen tot een logisch geheel. Toen de gloed af nam trok ik mijn hand terug en verbaasde mij andermaal. De genezing was voltooid. Er was niks meer te zien van een breuk of andere beschadiging.

Ik lachte ingetogen om de wonderen van de wereld die ik voor me zag volstrekken, maar waarvan ik de kennis niet had om ze kunnen verklaren. Geleidelijk aan vervaagde ook de grauwe gelaatsuitdrukking naar een vriendelijk jongetjesgezicht. Er lag een vredige en onbeweeglijke glimlach om zijn mond. Ik raakte voorzichtig zijn lippen met de toppen van mijn vingers en streek daarna door zijn haren die hun stugheid overwonnen had. Voor me lag een onbeschrijfelijk mooi godenkind te wachten op het moment om tot leven te komen.

"Wanneer ontwaakt je broer?", wilde ik weten.

De Kataai schudde zijn hoofd.

"Dat mag ik U niet zeggen, meester. De laatste stap moet U zelf doen".

"De laatste stap? Alles wat hier gebeurd is volkomen nieuw voor mij. Hoe kan ik weten wat ik nu moet doen?"

"Volgt wat U van binnen voelt. Dan komt alles goed".

Ik haalde diep adem en probeerde na te denken. Maar de betoverende schoonheid van Bhoi dwong me om mijn aandacht bij hém neer te leggen. Het gevoel dat ik zelf niets voorstelde in deze ongekende materie overheerste ruimschoots. Ik boog me voorover en streek met mijn wang langs de zijne. Ondanks de kilheid van de dood voelde het warm en prikkelde mij. Zachtjes ga ik hem een kus. Eerst op de linkerzijde, daarna op de rechterwang. Ik zuchtte diep en zocht de weg naar zijn lippen die leken te vragen om beroerd te worden. Het was een aanraking van tederheid. Een aanraking vol van liefde, waarbij ik mijn warme adem voorzichtig in zijn mondje blies. Even schokte het lichaam, alsof het tot leven kwam. Een nieuwe poging bracht meer succes. Zijn armen sloegen om me heen en hij kuste mij terug. Zoete dromen versmolten mijn gedachten. Beelden van zonovergoten stranden een zachte zomerbries met het losse zand speelde.

Het was dus écht waar, deze Kataai had al die tijd met mij gecommuniceerd. Hij had mijn hersengolven gescand en aldoor geweten dat ik zijn vrijheid belangrijker had gevonden dan zijn afzichtelijke uiterlijk. Daarna had het gewacht op de kansen die hem vanuit die situatie zouden worden aangereikt. Die kansen kwamen en hij had zelf de verantwoording genomen toen er een opening viel.

Bij die ene kus was alles me duidelijk geworden. Daardoor had ik me voorgenomen dat de Kataai"en nooit voor mij zouden mogen dienstdoen als knechtjes. Ze waren veel méér dan dat en stukken beter. Ze waren mijn vrienden.

En met hen zou ik op zoek gaan naar de wereld waarin ze thuishoorden.

Morgen. Morgen pas, had ik besloten.

Dan pas zouden we gaan zoeken.

Maar eerst wilde ik de nacht met ze doorbrengen in een tweepersoons hotelkamer met een bed waarin we alledrie konden slapen ;-)

Johnny, 29/30-06-2002

Alle teksten ressorteren onder JRvanDriel©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend. De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden.

Johnny

terug naar boven