Verhalen

Johnny, Jonathan

 

hand in hand 
langs de zee 
weten wat er 
gaat gebeuren 
hoe leef je daar mee? 
hand in hand
over straat 
voorspellen wat je 
te wachten staat 
hoe doe je dat toch? 
mensen komen 
of toch niet 
zinnebeeld 
of werkelijkheid? 
gedroom uit een jongenshoofd 
in mijn mensenhoofd 
geplant 

wel of geen 
vader en zoon
doet het er toe? 
voor elkaar 
geboren 
San Remo, 13-01-03 

De zee, het water, het ruisen van de golven en de zon die ongenaakbaar aan de hemel stond.

Ik zat op het terras en keek naar de mensen die passeerden. Iedereen was vrolijk, bewegelijk en bevrijd van de dagelijkse sleur. Een stukje verderop liep een vrouw met een kinderwagen en twee zeurende jochies mij tegemoet. Ik had medelijden met haar. De bengels trokken haar elk een richting uit en wezen naar de dingen die hen bezig hielden.

De één was een ventje van een jaar of tien. Zijn belangstelling ging uit naar een vlieger die hoog aan de strakblauwe hemel stond. Hij wees ernaar met zijn wijsvinger. Moeder glimlachte flauwtjes en probeerde de aandacht weer op te eisen door hem een kort rukje aan zijn fraai gekleurde shirt te geven. Heel even keek hij voor zich uit maar dit duurde slechts voor korte tijd. Er was zoveel moois te zien op het strand.

Aan de andere kant dartelde een kereltje waarin ik een jonger broertje herkende. Hij huppelde naast zijn moeder en leek volkomen bevangen door al het moois dat uitgestald lag in de winkels. Vlak voor het terras waarop ik zat passeerden zij een speelgoedzaak en het ventje trok uit alle macht aan haar arm. Het was duidelijk dat hij geen belangstelling had voor de badgasten maar dat zijn oog gevangen was door speelgoed dat daar lag uitgestald.

Vlak voor mij hielden zij rust en moeder keek uit over de uitgestrektheid van het strand en het water. Ze leek even weg te dromen maar bewoog zich al ras naar voren om te glimlachen tegen het kind dat in het wagentje lag. Ik hoorde haar betuttelende woorden zeggen maar ik was niet in staat om elk woord duidelijk te verstaan. Maar ja, wat zeg je tegen een baby die misschien nog maar een paar maanden oud is?

Zij draaide zich vrij plotseling om en onze blikken hielden elkaar voor enkele seconden vast. Ik had meer in die ogen gekeken maar ik kon mij nauwelijks meer thuisbrengen waar ik die diepblauwe kijkers eerder had gezien. Misschien, heel lang geleden. Toen had ik een meisje leren kennen op de middelbare school die…mij ooit had bekoord. Het was slechts een herinnering die in mij opspeelde. Ik verbrak het wegvluchten naar vervlogen tijden door naar een serveerster te wenken. Een goed gevuld glas met bier zou een welkome verfrissing zijn.

Het was wellicht geen échte verrassing toen ze ineens voor me stond. De vrouw met de kinderwagen was mij tot op enkele meters genaderd. Haar gezicht glimlachte zachtjes en haar ogen twinkelden. Opnieuw bekeken wij elkaar aandachtig op een manier zoals wij dat wellicht wel eens eerder hadden gedaan. Nu ze zo dichtbij was gekomen kon ik mij niet van de indruk onttrekken dat zij het was, een uiterst dierbare uit het verleden.

“Ben jij het, Jim?”, vroeg ze beleefd.

Mijn hart bonkte. Een oude verliefdheid was kennelijk nog niet in mij gedoofd en kwam weer bovendrijven bij het zien van deze vrouw.

“Annelies?”

“Allemachtig, wat is dat een tijd geleden. Mag ik bij je komen zitten?”

Ik gebaarde naar de stoeltjes die aan het tafeltje stonden. Drie vrije zitplaatsen, het leek wel of deze situatie al lang van tevoren beschikt was. Ik stond op, schudde haar hand en omhelsde haar. Ze rook nog precies hetzelfde. Dennengeur, haar favoriete luchtje hing als een mantel om haar heen. Ik twijfelde of ik haar moest kussen.

“Je bent onderdak?”, sprak ik concluderend terwijl ik op de kinderen wees..

“Ja. Drie koters. Zij zijn mijn alles. Alle drie jongens”.

“Het lijken mij heerlijke ventjes”.

“Zeker, ik ben apentrots op hen”.

“Dat kan ik mij goed indenken. Stel ze eens voor. Wie is wie?”

Ze boog naar de kinderwagen en nam de jongste op haar arm.

“Dit is hier is onze nieuwste telg. Hij is nu vier maanden oud. Een echte schreeuwlelijk. Reuben. Wij hebben hem Reuben genoemd”.

“Mooie naam. En die anderen?”

“En dit verlegen mannetje is Guido. Hij is acht, speels en lief. Zeg eens dag tegen die meneer”.

Guido beviel mij wel. Zijn rode krullen sprongen alle kanten op en de sproetjes op zijn gezicht waren net zo ontelbaar als sterren in de nacht. Zijn grote onschuldige ogen gaven verlegen antwoord op de vraag van zijn moeder. Hij knikte behoedzaam terwijl hij zijn hoofdje op de bovenarm van zijn moeder liet rusten.

“En wie hebben wij daar?”, wees ik naar het andere jongetje.

Ik staarde naar het ventje die zijn hoofd telkens van mij afwendde als ik naar hem keek. Volgens mij maakte hij er een spelletje van want er was niks dat hem angstig kon maken. Elke keer als hij zijn hoofd omdraaide slingerde het lange gitzwarte haar in zijn nek. Kennelijk had hij zijn trots en hij wilde dat ik hem als eerste zou aanspreken.

“Dat is Jonathan. Volgende maand wordt hij elf”.

“Je hebt hem naar mijn vader vernoemd?”

“Ja”, aarzelde ze. “Hij lijkt ook het meeste op je”.

“Hoe kan dat nou? We waren allang uit elkaar voordat Jonathan geboren is. Deze jongen weet niet eens van mijn bestaan”.

“Toch wel”.

“Heb je hem over mij verteld?”

“Nee. Ik heb nooit iets over je verteld. Maar hij weet het gewoon”.

“Belachelijk”.

“Als je hem leert kennen dan weet je dat dit niet zo belachelijk is als dat het klinkt. Je bent toch zelf ook paranormaal?”

“Jawel. Maar het gaat mij wel een beetje ver om daar nu meteen aan te verbinden dat hij op mij lijkt. Je doet net alsof het een kind van mij is”.

“Dat is hij ook. Hij heeft niks van mijn man en mij”.

“Klinkklare nonsens”.

“Weet je nog, die dag dat wij afscheid namen van elkaar”.

“Ja, dat moment zal ik nooit vergeten. Tragisch, triest. Ik had er problemen mee. Eigenlijk nog steeds”.

“Ik ook. Voordat je wegging kuste je mij op het voorhoofd. Weet je nog wat ik je vroeg?”

“Ja. Je vroeg of ik de boze geesten uit je hoofd weg kuste”.

“Ik weet nu dat je mij daarmee een opdracht gaf”.

“Een opdracht? Ik denk dat je teveel fantasie hebt”.

“Nee. Echt waar. Ik denk dat je hebt bepaald dat het eerste kind op jou moest lijken”.

Ik zweeg. Het was zinloos om mij tegen dit soort vrouwelijke logica te verzetten. Het was duidelijk dat zij mij adoreerde maar ik vond het overtrokken om te denken dat een simpele kus op haar voorhoofd als instrument had gediend om een kind te baren die mijn karaktereigenschappen had.

“Jim?”

“Ja?”

“Ik hou nog steeds van jou. Zielsveel”.

Voor een ogenblik voelde ik mij uit balans, niet wetende wat ik met deze wetenschap aan moest. Natuurlijk voelde ik een sterkte en diepe genegenheid voor haar. Maar ik was nog niet toe aan een vaste relatie. Achteraf denk ik dat ik destijds een onjuiste keuze had gemaakt. Ik had ons samenzijn een betere kans moeten geven.

Ik wenkte naar de serveerster om een bestelling te doen die met stellige zekerheid in de smaak zou vallen bij de jongens. Even later kwam zij met heerlijke sorbets aan. Het ijs was gebroken. Het geslurp met de rietjes was duidelijk hoorbaar en ik zag aan de gezichtjes dat de knaapjes intens genoten van hun lekkernij.

“Ik begrijp nog steeds niet waarom je bij mij bent weggaan”.

Het bekende thema speelde opnieuw op. Vrouwen willen alles weten. En ze had er natuurlijk recht op, omdat ik in die periode wellicht te onduidelijk ben geweest. Niet omdat ik een aantal dingen wilde verzwijgen maar meer omdat ik het toen zelf nog niet onder woorden kon brengen.

“Het is allemaal vrij simpel, Liesje. Ik was jong en moest mijzelf nog ontdekken. Ik voelde dat ik paranormaal was. Daardoor was ik te sterk afgeleid om een vaste relatie aan te gaan. Mijn besluit om onze relatie te beëindigen had niks met jou te maken”.

“En Jonathan? Was dat een geschenk van jou? Ik heb hem de ketting gegeven”.

“De ketting die ik jouw geschonken heb? Waarom? Hij was bedoeld om jouw te beschermen. Door die ketting had ik contact met je.”

“Die heb ik aan Jonathan gegeven omdat hij beter bij hem past dan bij mij. Het is jouw kind. Je moet hem beschermen”.

“Hij is mijn kind niet”, prevelde ik wanhopig.

Kijk dan zelf. Waar vind je een ventje die bij dobbelen alleen maar dubbel zes gooit?”

“Toeval”.

“Nee. Dat is het niet. Als wij gaan kaarten wint hij altijd omdat hij precies weet wat voor kaarten wij in onze handen hebben. Je moest eens weten. Voordat de postbode komt weet hij al wat er in de brieven staat voordat ze bezorgd zijn. Als de telefoon gaat dan...”.

“...dan noemt hij de nummers op van de mensen die bellen. Ook als ze niet van hun eigen locatie bellen”.

“Je herkent het dus?”, keek Annelies mij strak aan.

“Ja. En die ander?”, wees ik naar Guido.

“Die heeft niks van jou. Dat is een kind die op zijn moeder lijkt”.

Een korte stilte viel. Annelies en ik probeerden samen een verklaring te vinden. Ik zag hoe zij Reuben de borst gaf terwijl zij hem zachtjes wiegde. Haar bewegingen waren zorgzaam en liefdevol. Iedere baby in de handen van deze vrouw zou zich in een veilige haven moeten wanen. Even later dutte de kleinste vredig weg.

“Kijk Ma”, trok Jonathan haar aan een mouw. “Die man gaat dadelijk een tasje stelen van die mevrouw”.

“Wat is er lieverd? Welke man? Welke vrouw?”.

“Die mevrouw is er nog niet. Die komt straks”.

Ik sloot de ogen en probeerde zijn gedachten te lezen. Het lukte niet meteen omdat ik last had van de warmte. Ik kon mij niet meteen goed concentreren. Bovendien was het al lang geleden dat ik mijn paranormale eigenschappen had gebruikt. Plotseling voelde ik aansluiting en zag perfect was hij vooraf had waargenomen. Het was de man in dat lederen jack en het stoppelbaardje die aan de strandzijde van de boulevard liep. De beelden die ik ontving flitsen razendsnel door mijn hoofd. De vrouw kwam van een tegenovergestelde richting. Zij was bejaard en was in gezelschap van haar levenspartner die zich langzaam voortbewoog met een rollator. Aan haar schouder droeg zij een tas. In een oogwenk zag ik hoe die haar ontfutseld werd. Maar zover zou het niet laten komen.

Ik sprong van mijn stoel en holde naar de plaats waar de criminele handelingen zouden gaan plaatsvinden. Ik moest mij wel haasten want het middelpunt van de situatie was bijna voltooid. Ik zou te laat komen. Ik wist het. Het tasje zou al in het bezit zijn van de man voordat ik bij hem zou arriveren. Mijn God, Jonathan. Waarom stelde je mij zo op de proef? Waarom moest je mij bewijzen dat je paranormaal kon zijn, net zoals ik? Ik was de confrontatie op een vijftal stappen genaderd en zag hoe de oude vrouw wanhopig in het rond schreeuwde. Ik had geen tijd meer om te denken. Ik zou moeten handelen en voordat de dief het wist ving ik hem op aan zijn kraag. Het geluk was mij daarbij te hulp geschoten. Of wist ik waar ik moest gaan staan om hem te vangen? Een korte worsteling volgde maar omstanders waren mij gedienstig waardoor wij de boef konden overmeesteren. Even later konden wij hem aan de strandpolitie overhandigen.

Daarna keerde ik weer terug naar het terras en keek Jonathan diep in zijn ogen. Ik las hem, zoals hij mij probeerde te lezen. Het contact deed pijn omdat hij veel dieper mijn gedachten aftastte dan waartoe ik ooit in staat zou zijn. Hij las mijn herinneringen. Dierbare herinneringen. Herinneringen die ik nog nooit aan iemand had verteld. Ik kreeg het gevoel dat hij in mij zit en dat mijn hersenen begonnen te bloeden. Daarna ontspande hij zichzelf en toonde een tevreden blik op zijn gelaat. Hij lachte bevrijdend en sprong mij in de armen.

Het ventje drukte zich dicht tegen mij aan en ik voelde hoe onze energie zich vermengde. Het was heerlijk en ik voelde de krachten weer in mij stromen. En hij kuste mij. Zachtjes op de wang. In zijn ogen welden vreugdetranen. Ik verbaasde mij en keek hem verwonderd aan.

“Eindelijk iemand die mij begrijpt. Ik hou van je”.

“Waardoor zie je dit alles, Jonathan?”, vroeg ik. “Omdat je de ketting draagt?”

“Nee. Ik zie door de andere dingen die jij mij hebt gegeven”.

“Welke dan?”

“Jij hebt mij paranormaal gemaakt. Ik ben een kind van je. Jij bent mijn vader”.

“Ik ben vader n...”.

Voordat ik kon spreken drukte hij zijn wijsvinger tegen mijn lippen ten teken dat ik stil moest zijn.

“Je hebt mij gemaakt in je dromen. Je houdt nog steeds van Mama en Mamma houdt van jou”.

Ik legde mijn hoofd tegen mijn nek en voelde hoe een zachte zomerbries met mijn haren speelde. Dit was te gek voor woorden. De ontmoeting. Waarom moest ik hier ter plekke zijn op het moment dat Annelies met haar kinderen naar het strand zou gaan? Was dit voorbestemd zoals alles in het leven is voorbestemd? Raadsels spookten door mijn hoofd en Jonathan was een wonderkind.

“Waarom zoek je een verklaring?”, vroeg Jonathan.

“Hoe weet je dat ik een verklaring zoek?”

“Het zoemt in je hoofd. Ik kan het horen”.

“Ik weet dat je paranormaal kan zijn Jonathan. Maar er is geen enkele reden om aan te nemen dat ik je vader ben. Daarvan zal je mij nooit kunnen overtuigen”.

“Toch wel. Ik weet op welke avond jij mij hebt gemaakt”.

“Ja. Ja. Bijna elf jaar geleden zeker? Dat is nogal droog”.

“Maar ik kan nog meer vertellen”.

Jonathan legt zijn handen op elkaar en drukt zijn wijsvingers tegen het puntje van zijn neus. Hij kijkt bedenkelijk alsof hij nog geen duidelijke beslissing had kunnen nemen om alles te vertellen wat hij in mijn gedachten heeft gezien.

“November. Het was in november dat u thuiskwam. Het was een bijzondere avond. U was dronken en dat bent U nooit”.

“Hm, ik kan mij daar wel iets van herinneren”.

“Die nacht kwam ook de koorts. U werd ziek, doodziek. U droomde zo sterk dat het bijna echt leek”.

“En waar droomde ik dan over?”

“Over vrijen met mijn moeder. In die nacht ben ik geroepen door jullie beiden. In die droom werd ik gewekt, want die droom was écht. Mijn moeder heeft die nacht dezelfde droom gehad”.

“Donders. Het is waar dat ik die droom heb beleefd. Maar je hebt toch ook een échte vader? Wat is er met hem?”.

Jonathan sloot een ogenblik zijn ogen. Hij slikte en zuchtte diep. Daarna keek hij zijn moeder aan om steun te zoeken.

“Zal ík het vertellen?”

“Nee. Laat míj het maar doen”.

Ik was verbaasd over de sterke manier waarop hij mijn gedachten had weten te scannen. En ik was ook verrast dat hij de informatie die in symbolen waren opgeslagen zo haarscherp had weten te ontcijferen. Eerder was er een paragnost geweest die hetzelfde had proberen te bewerkstelligen maar hij had moeten bekennen dat zijn poging daartoe volkomen vruchteloos was gebleven.

“Vertel”, moedigde ik Annelies aan.

“Het punt is dat wij niet weten wie de échte vader van Jonathan is”.

“Ach kom nou. Je wilt mij toch niet gaan vertellen dat je spontaan zwanger kan raken van een droom die wij kennelijk samen hebben beleefd?”.

“Het lijkt er wel op. Ik heb na jou geen seksueel contact meer gehad tot op het moment dat ik trouwde. Dat was negen jaar geleden. Toen werd Guido geboren”.

“Dus Jonathan is vaderloos?”

“Nee”.

“Vertel dan wie...”

“Jij”.

Ik sloeg mijzelf met de binnenkant van mijn hand hard tegen mijn voorhoofd. Het deed zeer, maar dat moest ook omdat ik wilde ontwaken uit deze vreemde droom.

“En wat nu?”

“Ik stel voor dat je Jonathan meeneemt. Mijn man heeft hem nooit willen accepteren en bij jou zal Jonathan zich veilig voelen. Jij kan hem veel leren over paranormale zaken. En per slot van rekening ben jij zijn vader. Als je het nu nog steeds niet kan geloven dat jij zijn vader bent dan stel ik voor dat wij een DNA-test laten verrichten”.

“Wat moet ik met zo’n kleintje thuis? Mijn huis is er niet eens op ingericht”.

“Nu nog niet. Maar ik ben er van overtuigd dat je hem een plaatsje zal geven. Ik ken jouw liefde voor de mensen en je zal Jonathan zeker niet in de kou laten staan”.

Ik tolde van de grote hoeveelheid van indrukken die ik in kort tijdbestek kreeg aangereikt. Het liefste was ik alleen zodat ik helder kon nadenken over de situatie. Nu zat er een moeder voor mij die heel erg stellig was in haar opvattingen en per direct een beslissing van mij verwachtte. Hoe kon ik antwoord geven op een vraag die zo complex was en daarbij ook nog eens zoveel andere vragen opriep?

Ik excuseerde mijzelf en liep naar het toilet omdat ik even wilde ontvluchten van de mystieke sfeer. Terwijl ik mijn polsen nat maakte en mijn handen waste keek ik in de spiegel en sprak mijzelf aan.

“Klootzak, jij weet net zo goed dat je gedroomd hebt over de vrijpartij met Annelies. Je had koorts en had jezelf niet onder controle. Waarom heb je jezelf zo laten gaan? Natuurlijk, omdat je van Annelies houdt, dat is buiten elke twijfel verheven. Maar een zoon...nee ik wil geen zoon. Of toch? Wees toch eens eerlijk tegen jezelf”.

Ik schrok op toen er op de deur van het toilet werd gebonkt. Aan de heftigheid besefte ik dat er iemand wachtte die een sterkte drang had om gebruik te maken van het toilet. Ik keek op mijn horloge en constateerde dat ik al vijf minuten het ‘gemak’ bezet had gehouden. Snel droogde ik mijn handen en opende de deur terwijl ik de benauwde blikken van de wachtende man probeerde te ontwijken. Daarna snelde ik mij naar het terras en schrok. Annelies, Guido en Reuben waren verdwenen. Jonathan was alleen achtergebleven.

Verslagen strompelde ik naar hem toe. Het vertrek van mijn dierbare deed mij zeer alhoewel ik besefte dat het minstens net zo pijnlijk zou zijn geweest als ik op een later tijdstip afscheid had moeten nemen.

“Waar is je moeder en waar zijn je broertjes?”

“Weg”.

“Dat begrijp ik. Waar zijn ze naar toe? Als we snel zijn kunnen wij ze misschien nog wel inhalen”.

“Dat zal je nooit lukken”.

“Waarom niet?”

“Omdat ze hier nooit zijn geweest. Ik ben alleen gekomen”.

Ik voelde mij radenloos en bijna toe aan een flinke huilbui.

“Met wie heb ik dan al die tijd zitten praten?”

“Met mij. De beelden die je van haar en mijn broertjes heb gezien, die heb ik voor je opgeroepen. Maak je niet ongerust, je zal mijn moeder nog één keertje zien”.

“Wanneer?”

“Je zal haar alleen nog maar kunnen zien als ze mij komt ophalen als je niet goed genoeg voor mij zorgt”.

Jonathan lachte binnensmonds.

“Waarom lach je?”

“Ma sprak haar vertrouwen uit dat je altijd goed voor mij zal zorgen. De kans dat ze je haar ooit nog zal tegenkomen is daarmee verkeken”.

Mijn blikken staarden over het strand en ik tuurde naar de blauwe golven van de zee. Dit was een heugelijke dag die mij Jonathan had gebracht maar ik had ook afscheid moeten nemen van Annelies. Voorgoed ditmaal. Tenzij ik haar zou vinden, tenzij... er was nog iets anders.

Ik streek Jonathan door zijn haar. Hij genoot door de aanraking en keek mij vol trots aan.

“Gaan wij nu naar huis Pa?”, vroeg hij ongeduldig.

“Ja, jongen. Wij gaan nu naar huis”.

“Mag ik dan naast je zitten in de MR2?”

“Hoe weet je...? Laat maar”.

Ik besefte dat Jonathan vanaf dit moment in mij leven was gebrand en mij niet meer zou loslaten totdat het ogenblik zou naderen dat hij mij niet meer nodig had. Zolang hij van mij kon leren dan was onze toekomst gewaarborgd. Als mijn lesstoffen waren opgedroogd dan zou Annelies haar zoon komen halen. Dat was het. Dit stukje had ik kennelijk beter begrepen dan Jonathan. Ik zou haar dus nog één keertje mogen zien.

Samen wandelden wij door de winkelpromenade. Jonathan versnelde zijn pas naast mij en maakte kleine sprongetjes van vreugde. Hij neuriede een liedje, mijn lievelingsliedje. Dat had hij vast opgepikt toen hij mijn gedachten had gelezen. In mijn hand voelde ik de zijne, vol vertrouwen en vol overgave. Met zijn andere hand wees hij naar een meneer het strand.

“Kijk Pa. Die man krijgt straks een bal op zijn oog en daarom wordt hij heel kwaad”.

We stopten en keken toe hoe een grote blauwe strandbal de man raakte en moesten lachen om zijn razernij. Het was aandoenlijk om de boosheid van de man op afstand te zien. Daarna trokken wij verder, naar huis.

De rest van het verhaal ken je al, kleine Jonathan. Die inhoud kende je al voordat je goed en wel geboren was.

Ik zal je niet graag zien worden zoals ik nu ben. Je zal er naar moeten streven om oprechter te zijn, wijzer en weerbaarder. Dat verlang ik van mijn zoon en ik zal je daarbij helpen.

Johnny, 12-01-2003

Alle teksten ressorteren onder JRvanDriel©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend. De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden.

Johnny

terug naar boven