Johnny, Griëko, een oorlogskind
|
Griëko was een stille jongen. Zelden sprak hij een woord en als hij sprak dan stonden zijn ogen droef. Daar waren redenen voor, want Griëko was één van de velen die de bommen en granaten rond hem heen had zien inslaan. De huizen rond hem heen waren gestorven. Alleen grote bergen met stenen waren bij hem gebleven als souvenir aan een gouden tijd. Hier en daar stonden nog slechts de steun muren overeind. De jongen bivakkeerde niet ver van zijn ouderlijke woning. Hij had daar een riool gevonden die hem diep onder de grond bracht. Daar was hij veilig voor de militaire acties en de aanhoudende bommenregen. Het was er donker maar soms kon hij een vuurtje stoken als hij een brandvoorraad uit het bos had kunnen sprokkelen. Dan kon hij in de ruimte kijken die hem de laatste maanden bescherming had geboden. Maar het was er vies en het stonk en zijn verblijf in het ondergrondse veroorzaakte dat Griëko evengoed vies werd en ging stinken. Zijn vrienden en familie waren geslachtofferd in de al jaren lange durende strijd om vrijheid. Zij waren hem voorgegaan en gesneuveld. En hij, hij was alleen. Zijn ouders leefden misschien nog. Althans, dat hoopte hij. Soms werd hij gillend wakker en rende naar de resten die waren overgebleven van zijn ouderlijke huis. Daar zocht hij wanhopig naar overlevingstekens maar moest telkens aangedaan weer terugkeren. Misschien zwerfden zijn ouders in een ander deel van de stad en waren zij ook op zoek. Naar hem … hij miste ze zo.
Overdag werd er minder gevochten en dan hees Griëko zich uit zijn geheime schuilplaats om naar het centrum van de stad te lopen. Daar was het drukker en lieten de soldaten hem met rust. Het was een uitstekende plaats om je handen op te houden, om te bedelen voor wat geld en eten. Zijn armetierige gestalte en zijn ingevallen gezichtje waren doorgaans succesvolle ingrediënten gebleken. Dikwijls bleven de mensen vol medelijden bij hem stilstaan en wierpen hem vervolgens wat kleingeld toe. Van dat geld kon hij dan een schamele maaltijd kopen die nauwelijks zijn honger kon stillen. Maar wat voor hem telde was dat hij had gegeten en tot nu toe was hem dit bijna elke dag gelukt. Ditmaal besloot Griëko langs de weg te gaan staan om te gaan zingen als auto's in het geteisterde stadsdeel voorbijreden. Hij had geen mooie stem maar kon zijn liedjes triest laten klinken. Het waren dikwijls militaire voertuigen die hem passeerden en hem geen blik waardig gunden. Soms spuwden de soldaten in zijn richting of richtten zij hun wapenen op hem terwijl ze lachten. Ondanks de dreiging was het nooit in Griëko opgekomen om weg te lopen. Als ze hun kogels op hem wilden afvuren dan moest dat maar. Zijn moeder had hem verteld dat God zich over een mens zou ontfermen als men in nood was en misschien bedoelde ze dit wel. Het leek hem zalig om dood te zijn, om niet meer te hoeven zwerven en te zoeken naar vrienden die er toch niet meer waren. Misschien zouden zijn ouders daar ook zijn en een hereniging leek hem het mooiste geschenk dat hem zou kunnen overkomen in deze barre omstandigheden. Toen één van de soldaten zijn wapen ontgrendelde had hij brutaal geschreeuwd en hem uitgedaagd om te schieten maar de vrachtauto reed verder, zonder dat er iets gebeurde. Arme Griëko, hij verlangde zo naar de dood. In de verte kwam een wagen aanrijden die hij herkende als een personenauto. Snel zette hij zijn wollen muts af en streek zijn haren goed. Met zijn handen probeerde hij de gaten en scheuren in zijn jasje te verbergen maar dat ging hem niet al te goed af. Het kledingstuk was al té gehavend om het er nog netjes te kunnen laten uitzien. Daarna ging Griëko rechtop staan en wachtte tot de auto tot dichtbij genaderd was. Het was een grote Volvo, zo'n massief en log lijkend geheel op wielen die waarschijnlijk tot op het chassis gepantserd was om lichte aanvallen van vijanden te doorstaan. Hij kon niet zien wie er in de auto zat omdat de ramen geblindeerd waren. Hij kon alleen de chauffeur herkennen maar die keek strak voor zich uit. Griëko liet het hoofd zakken toen de wagen hem voorbijreed. Het was hem vandaag kennelijk niet gegund. Hij draaide zich om en liep met opgetrokken schouders langs de weg terwijl hij zijn maag hoorde knorren. Tot hij een stem hoorde. "Hé, jongen. Jij daar". De jongen draaide zich om en begon te glunderen. De wagen was zo'n honderd meter verderop gestopt en de chauffeur wenkte hem om dichterbij te komen. Zo snel als hij kon holde hij naar de wagen en kwam daar, geheel buiten adem, aan. Hij zocht de kracht in zichzelf om een liedje te gaan zingen maar kon even niet op de woorden komen. Het raampje draaide open maar daarbinnen was het te donker om te zien wie dat deed. "Griëko?", hoorde hij een stem zeggen. "Ja, dat ben ik", sprak hij hoopvol. "Kent U mij?" "Nee", was het korte antwoord. "Ik ken alleen jouw naam". "Wie is U? Mag ik met U mee?" "Daarvoor heb ik teveel haast. Maar misschien mag je een andere keer met mij mee als ik meer tijd heb. Ik rij vaker langs deze weg". "Oh", antwoordde Griëko teleurgesteld. "Als ik je weerzie dan moet je een opdracht voor mij hebben vervuld. Durf je dat aan?" "Jawel. Ik doe alles voor een goed onderkomen". "Goed zo. Dan mag je nu kiezen. Ik bied je drie dingen aan en daarvan mag je er eentje kiezen. Ik heb brood, geld en een viool". De jongen vond het een moeilijke keuze. De honger vrat aan hem dus het brood leek hem wel wat. Maar voor geld kon hij eten kopen, lekker eten misschien. Dat was afhankelijk van de hoogte van het bedrag. En die viool, wat moest hij nu met een viool? Alhoewel, een viool had waarde en hij kon dit instrument misschien voor veel geld verkopen aan een handelaar. "Heb je jouw keuze al bepaald? Ik heb weinig tijd en moet verder". "Eh … geeft U mij die viool maar". Uit het donkere raam kwamen twee handen tevoorschijn die hem een vioolkoffer aanreikten en vervolgens pakte Griëko de strijkstok aan. "Denk er om dat je een opdracht hebt te vervullen. Dan kan ik je de volgende keer misschien meenemen". "Welke opdracht? Vertel mij wat ik moet doen?" Maar het raam sloot en de chauffeur stapte in. Enkele seconden later was Griëko weer alleen, achtergelaten met een geschenk dat voor hem het bewijs was dat deze ontmoeting werkelijk had plaatsgevonden. Met de viool onder zijn arm liep hij weer naar huis. Vandaag was er dus geen eten en de bakkerijen waren te zwaar bewaakt om brood te gaan stelen. Waarschijnlijk zouden ze hem naar een kamp brengen als ze hem snapten maar daarvoor was de vrijheid voor Griëko nog te lief. Toen hij weer terugkeerde in het riool overdacht hij aan wat hem was opgedragen. Aan welke opdracht zou hij eigenlijk moeten voldoen? Hoe kwam het dat de man zijn naam wist? Door de vermoeienissen van de dag en door de honger viel hij snel in slaap.
De volgende weken was Griëko telkens naar de plaats gegaan waar hij de vreemdsoortige ontmoeting had gehad. Hij jubelde van vreugde als hij in de verte een personenauto zag komen aanrijden. Maar elke keer was hij teleurgesteld als bleek dat dit niet 'zijn' auto was maar het voertuig van een volstrekt onbekend persoon. Na een tijdje besloot hij om niet meer langs te gaan omdat dat de werkelijkheid voor hem tot een illusie was gedegradeerd. De gevechten rond hem heen hielden aan, ze verminderden niet maar strengden zelfs aan. Griëko voelde zich veilig in zijn ondergrondse bunker maar hem ontging de zin van het leven en de honger naar brood werd even groot als de honger naar zijn ouders. Die ene dag zou hij nooit vergeten. Hij was op klaarlichte dag naar het centrum gelopen en had daar een oude kameraad ontmoet. Joseph was er niet veel beter aan toe dan Griëko. Ook zijn ogen waren diep ingevallen en zijn gezichtje was zwaar vermagerd. De toorn van de oorlog had hem, evenals vele anderen, voor het leven gebrandmerkt. Het was voor hem zichtbaar dat Joseph niet lang meer te leven had als er niet snel een oplossing kwam voor het aanhoudende probleem dat 'oorlog' heette te zijn. "Ik heb je ouders gezien", sprak Joseph met verzwakte stem. "Waar dan? Vertel mij waar. Dan kan ik ze gaan zoeken". "Je zal ze niet meer vinden", zuchtte zijn vriend en wees met zijn vinger naar boven. "Geloof mij, ze hebben het veel beter nu". "Je bedoelt dat ze dood zijn? Dat kan niet. Mijn ouders kunnen niet sterven. Zeg mij dat ze nog leven" . Joseph schudde het hoofd. "Soldaten hebben je ouders geëxecuteerd op de weg naar Slavan. Ze werden gepakt toen ze op een veldje aardappels aan het rooien waren. Ik heb hun lichamen gezien, vol kogelgaten". Op dat moment was het net alsof alle energie uit het lichaam van Griëko stroomde. Hij voelde zich leeg, uitgeput en stond op het punt om over te geven. Onophoudelijk stroomden de tranen over zijn gezicht, hij was gebroken. De laatste hoop waarvoor hij nog leefde was weerzinwekkend weggeslagen. Het leven had nu geen enkele waarde meer voor hem. Vaderloos, moederloos, een leven zonder enkele steun en warmte. "Je liegt, vuile tering klootzak. Je liegt. Dit kan niet waar zijn". "Sorry, Griëko. Het is waar. Ik moest je dit vertellen anders zou je blijven zoeken". Griëko rende weg en zijn pas ging steeds sneller en sneller. Het was niet duidelijk waar hij naar toe rende. Het gaf niet waar hij uiteindelijk zou uitkomen. Niks gaf meer, het leven niet en zijn honger niet. Hij wilde alleen zijn en sterven, ergens op een plekje waar God hem zou kunnen vinden om hem weer bij zijn ouders te brengen. Tegen de avond zakte hij vermoeid ineen tegen de stam van een boom. Hij was niet ver van het riool waar hij 'woonde' en besloot zijn laatste krachten aan te wenden om naar 'huis' te gaan. Het was donker, aardedonker in zijn 'woonbuis' en hij moest tastend zijn weg vinden. Plots stootte hij op iets hard. Het was de viool, die hij al die tijd had bewaard. Aarzelend wreef hij met zijn vingers langs de gladde klankkast en pakte het instrument op. Wat had hij aan zo'n waardeloos ding als de kracht van het leven uit hem was gevloeid? Hij huilde onophoudelijk en legde zijn gezicht tegen de snaren. Zo zou de wereld hem moeten kunnen zien. Verdriet temidden van een onmenselijk slachtveld dat zijn ouders had ontnomen. De tranen druppelden op het instrument en vielen op de grond. Hij kreeg het benauwd en stond op waarna hij door een wir war van tunnels naar buiten kroop. Daar zocht hij de resten van zijn ouderlijke woning en zette het instrument aan zijn kin. Dat het was gaan regenen hinderde hem niet. Dat de wind was gaan strengen maakte hem geen donder uit. Hij speelde, hij speelde met de laatste krachten zijn lied. Een lied dat gericht was aan zijn ouders. Telkens weer gleed de strijkstok furieus over de snaren en de klanken die hij speelde waren goddelijk, goddelijker dan ooit een persoon uit een hogere wereld had kunnen spelen. En niet ver naast hem sloegen de bommen en granaten in. Het maakte voor hem niks uit. Zijn gedachten waren bij de personen die hij lief had. Pyetr, zijn vader. De vriendelijke schoenlapper van het dorp. Waarom moest hij sterven? Het was zijn vader, zijn vriend. En tijdens de passages die hij speelde waande hij zich op schoot te zitten met een warme bak chocolade melk voor hem. Als ze samen waren dan kon zijn vader zulke prachtige verhalen vertellen en hij kon pas gaan slapen als hij lekker was ingestopt en de kus had gekregen die hem door de nacht zou beschermen. Hij zakte vol weemoed neer op zijn knieën en speelde door. Een kleine, tere jongen die wanhopig viool speelde en doorweekt was van het regenwater dat zonder mededogen op hem neer gutste. Geen enkele ellende was hem bespaard gebleven in deze miserabele wereld. En dan was er zijn moeder: Theodora. Een knuffel van haar zou de wereld weer beter kunnen maken. Haar warmte, haar liefde waren onvervangbaar. De liefdevolle lach op haar gezicht als zij naar hem keek waren sterk ingebrand op zijn netvlies. Zelfs als hij dood ging temidden van dit woeste geweld, dan zou hij haar nooit kunnen vergeten. De maan keek neer op een schouwspel vol nuances. Het keek neer op het afweergeschut dat het vizier had gericht op de vijand; het keek neer op de soldaten die een verwoedde strijd voerden in de bossen van Davapar en het keek neer op de kleine jongen die zijn verdriet stond weg te spelen tussen de ruïnes van zijn ouderlijk huis. Het was gevaarlijk want telkens weer daalden een bommenregen neer. Griëko voelde zich uitgeput. Het spel op de viool had aan zijn krachten gevreten. Ook het verlangen naar zijn ouders had hem zijn levenslust ontnomen. Een éénmans applaus weerklonk. Griëko richtte zijn hoofd vermoeid op en zag dat een man aan de rand van de ruïnes stond. "Mooi gespeeld, Griëko. Waarlijk, heel mooi". "Wie is U? Kent U mij?" "Nee", was het korte antwoord. "Ik ken alleen jouw naam". "Bent U de man die ik ben tegengekomen? U zat toen in een auto" "Ja. Ik ben de man die je bent tegengekomen. Je hebt je opdracht nu vervuld. Ik ben hier gekomen om je mee te nemen". "Wie is U?" "Ik ben een hogere macht die toeziet op slachtoffers zoals jij. Omdat ik een hogere macht ben mag ik je nog één geschenk geven. Maar het is wel een geschenk dat mooier is dan alle geschenken die je tot nu toe in je leven hebt gekregen". "Ik hoef geen geschenken meer. Ik wil dood. Ik wil weer bij mijn ouders zijn". "Daarom ben ik ook naar hier gekomen. Kom, ik breng je terug naar je vader en je moeder. Zij wachten op je". Griëko stond op en legde zijn hand in de hand van de mysterieuze man die zichzelf een vertegenwoordiger van hogere machten noemde. Samen liepen zij langs de weg. De jongen voelde zich gelukkig en was weer hoopvol. De man was van goede bedoelingen. Toen viel de bom. Trefzeker en meedogenloos. Onze vriend was nu weer met zijn ouders herenigd maar de oorlog duurde voort en maakte vele slachtoffers als Griëko. En de man, hij sjokte alleen verder langs de weg, op zoek naar meer 'zoekgeraakte' kinderen die zo onstellend veel verlangden naar hun ouders. Johnny, 25-10-2003 Alle teksten ressorteren onder JRvanDriel©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend. De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden. |
|
Johnny |