Verhalen

Johnny, ook goudvissen kunnen huilen

Het was één dag later. De klokken hadden het nieuwe jaar ingeluid en de kruitgeur van het vuurwerkfestijn hing nog volop in de straten. Overal waar je keek zag je het rood opgekrulde en half verbrande papierkarton dat ooit ter versteviging had gediend voor rotjes. Nu lag het te wachten om opgeveegd te worden door de straatvuildiensten. Verderop lagen de half verkoolde stammen van afgebrande kerstbomen op een stapeltje geveegd. Hier en daar raapte ik houten standaards op waarop de bomen bevestigd waren. Het verbaasde mij dat sommige houten kruizen het vreugdevuur waren ontlopen. Misschien hadden zij verscholen gelegen of waren de feestvierders te dronken geweest om ze op de brandstapel te gooien.

Voor mij uit liep een jongetje. Om de paar meter bukte hij en tastte met zijn handen door de rommel op straat. Hij was blijkbaar op zoek naar achtergebleven rotjes die hadden verzuimd om dienst te doen. Telkens als hij een compleet exemplaar had gevonden maakte hij een vreugdesprongetje en onderzocht zijn vondst minutieus. Opnieuw aansteken was een gevaarlijke klus omdat de lontjes half waren afgebrand en te kort waren geworden om de projectielen op tijd weg gooien. Toch leek hij vastberaden om het geluid van de explosie te horen. Hij trok zijn handschoen uit en drukte het vuur van zijn sigaret tegen de lont waarna hij het rotje razendsnel in de lucht gooide. Meestal kwam de klap vrij snel, maar als het vuurwerk opnieuw verzaakte liet hij het liggen en ging op zoek naar anderen.

Het was een aandoenlijk zicht om dit knaapje zo vroeg in de ochtend op straat te zien struinen. Zijn lange blonde lokken gaven hem iets aantrekkelijks maar als je dichterbij kwam kon je zien dat zijn haarsnit onverzorgd was. Het haar hing met slierten en tot ver over zijn oren. De wind die ons steeds van achteren benaderd had, blies het haar soms speels op waardoor het zijn wangen raakte. Behendig streek hij het dan weer vergeefs terug. Het begon steeds meer te lijken op een komisch en oneindig spel tussen het jongetje en de wind. Gelukkig hinderde dit hem niet al te veel om door te gaan in zijn zoektocht naar niet afgeschoten vuurwerk.

Even later bukte hij weer en ik zag op afstand dat hij een groter projectiel in zijn handen had. Ik wilde hem waarschuwen maar mijn stappen waren te traag en mijn stem zou vast niet ver genoeg gereikt hebben om hem op tijd te bereiken. Vanuit de verte zag ik dat hij zijn handschoen had uitgetrokken en de lont tegen het vuur van zijn sigaret duwde. Bijna tegelijkertijd kwam mijn bange voorgevoel uit. Het voorwerp explodeerde met een luide knal in zijn rechterhand en het jongetje viel kermend van de pijn op de grond. Ik rende naar hem toe en hoorde mijn hart bonken in mijn keel.

‘Belhamel’, schoot het door mijn hoofd. Waarom trotseerden jongetjes dikwijls zoveel gevaar? Het leek wel of zij het soms bewust opzochten. En later, zoveel later zouden zij gruwelijke spijt hebben van hun machogedrag en weer het kind worden dat bij hun leeftijd paste. Huilen past niet bij mannelijk gedrag, maar dit knaapje liet zijn tranen onverbiddelijk gaan. Hij hield zijn hand beschermend tegen zijn borst gedrukt en rolde over de grond van de pijn. Ik voelde de pijn van de verantwoording want ik had hem zo gemakkelijk eerder kunnen aanspreken en hem moeten wijzen op het gevaar en de gevolgen. Toen ik bij hem gekomen was, hurkte ik en draaide zijn gezicht zodat ik hem in de ogen kon kijken. De tranen biggelden als kristallen over zijn wangen en ik staarde in een paar diepblauwe ogen waaruit de pret verdwenen was.

“Klootzak”, riep ik hem bits toe. “Kijk toch eens uit wat je doet”.

Mijn opmerking temperde zijn verdriet niet maar moedigde hem eerder aan om nog harder te huilen.

“Hij ging per ongeluk af. Ik kon er niks aan doen”, hakkelde hij tussen zijn tranen door.

“Je bedoelt dat je dit niet hebt gewild. Niks is per ongeluk gegaan. Ik zag zelf hoe je de lont aanstak”.

“Help mij, het doet zo’n pijn”.

“Laat mij zien”.

Hij stond mij aarzelend toe dat ik zijn hand pakte waarna ik constateerde dat deze licht bloedde. Zijn vingertjes waren wit maar dat kon net zo goed door de koude ochtendtemperatuur gekomen zijn. Wie weet hoe lang dit kereltje al op straat gelopen had.

“Je hebt geluk gehad”

“Gaan ze mijn hand amputteren?”, snotterde hij angstig.

“Amputeren”, verbeterde ik hem. “Nee. Dat hoeft niet. Maar we moeten wél het bloeden stelpen, de wond reinigen en er een stoere pleister over heen plakken”.

“Moet ik dan naar het ziekenhuis?”

“Nee. We hoeven niet naar het ziekenhuis. Ik denk dat ik thuis nog wel wat pleisters heb liggen”.

“Moet ik dan met je mee?”

“Niks moet. Het mag. Ik kan je ook naar het ziekenhuis brengen als je dat liever wilt”.

“Woon jij ver weg?”

“Drie straten verderop. Het is niet ver”.

Even later slenterden wij door de winkelstraat. Het ventje liep naast mij en hield zijn hand recht voor zich uit terwijl hij deze ondersteunde met zijn andere hand. Het huilen was opgehouden al ontsnapte er soms wel wat traanvocht uit zijn ogen. Aan het verkrampte gezichtje zag ik dat hij pijn had maar hij probeerde zich te vermannen.

“Hoe heet je?”

“Ik heet Jochem”.

“Ik ben Bas”.

“Zo heet mijn neef ook. Hij is cool. Hij heeft al drie chika’s gehad”.

“Wat zijn chika’s?”

“Meisjes. Hij is veertien en ik ben twaalf. Hoe oud ben jij?”

“Iets ouder dan je neefje vrees ik. Maar kom, we zijn bij mijn huis”. “Niks aanraken hoor, anders zit straks alles onder het bloed”.

Ik opende de deur en ging hem voor door de smalle gang. Direct na de ingang was de keuken en ik zette hem op een stoel. Ik probeerde hem eerst van zijn zwarte jack te ontdoen maar bij elke poging kermde hij het uit van de pijn. Toch lukte het uiteindelijk waarna ik de mouw van zijn slonzige en vervuilde trui optrok.

“Zo. Stop nu je hand maar onder de kraan. Dan spoelen wij eerst het bloed er een beetje af. Het lijkt volgens mij erger dan dat het is”.

Ik genoot ervan hoe hij op zijn tenen moest staan om bij de kraan te komen. Hij was tenger en door zijn kleren heen straalde de energieke kracht van een jongenslichaam.

“Laat mij je bovenarm ook maar goed schoonmaken. Het lijkt er wel een beetje op of je de laatste drie maanden niet meer onder de douche bent geweest”.

“Onze douche is stuk”, pruttelde hij.

“En jullie wasmachine ook?”, grapte ik terwijl ik wees op enkele grote vlekken in zijn spijkerbroek.

“Oh. Die gaan er niet meer uit. Dat is motorvet”.

“Motorvet?”

“Ja. Een vriendje van mij heeft een Gilera en daar knutselen wij altijd aan. Omdat ik dan steeds met vuile kleren thuis kom wil mijn moeder het niet wassen. Ze zegt dat het toch geen zin heeft omdat ik altijd vuil thuis kom”.

Ik pakte een washandje en veegde zijn zwart-besmeurde gezichtje schoon. Hij keek mij verwonderd aan.

“U lijkt wel een vader”, zei hij.

“Dat zou ik best willen zijn. Maar dat ben ik niet”.

“U mag wel op mij passen hoor. U mag mij ook straf geven als U dat wilt”.

Ik merkte op dat hij mij nu telkens met de ‘U’ vorm aansprak. Aanvankelijk had hij mij getutoyeerd maar kennelijk was bij hem enig respect ten aanzien van mijn persoon gegroeid. Geen wonder eigenlijk want ik had het gevoel dat dit knaapje verstoken was van enigerlei vorm van aandacht die kinderen op zijn leeftijd zo hard nodig hebben.

“En nu moet je even op je tanden bijten”, legde ik hem voorzichtig uit terwijl ik een spuitbus met een desinfecterend spul uit de verbandtrommel pakte.

“Doet dat erg veel pijn?”, vroeg hij benauwd.

“Eventjes maar. Een paar seconden maar en daarna plak ik een stoere pleister op je hand”.

Zijn ogen lichtten op. Hij gaf mij het gevoel dat hij trots was op een pleister die het uiterlijke vertoon was van de helse pijnen die hij had moeten ondergaan. Enkele seconden later knepen zijn ogen stijf dicht en jammerde hij het uit door het bijtende spul dat in de wond van zijn hand vrat. De grote pleister deed inderdaad wonderen en hij keek telkens triomfantelijk naar zijn ‘onderscheiding’.

“Wil je limonade?”

“Ik lust wel cola”, antwoordde hij.

“Ik heb nog een onaangebroken fles staan. Ga jij maar in de woonkamer op de bank zitten”.

Hij aarzelde. Aan zijn houding kon ik zien dat hij wel wilde maar iets weerhield hem om alleen door te lopen naar de huiskamer. Dit verwonderde mij.

“Durf je niet?”.

“Nee”, antwoordde hij bedrukt.

“Waarom niet? Ben je bang voor me”.

“Dat is het niet. Alleen, alleen ...”

Hij boog zijn hoofd, waardoor zijn lange sliertige haren naar de grond wezen.

“Vertel eens. Wat is er dan aan de hand?”

“Ik ben bang dat ik dan ineens ga stelen. En dat wil ik niet. Jij bent zo aardig voor mij”.

“Jochem, je gaat niet zomaar ineens stelen. Dat komt uit jezelf. Dat overkomt je niet. Dat is een beslissing die je zelf maakt. Je kunt ook beslissen om het niet te doen”.

“Nee hoor. Er zit iets in mij dat zegt dat ik moet stelen. Ik kan er niks aan doen”.

Ik zuchtte. Het belhameltje dat voor mij zat op de keukenstoel verkeerde in tweestrijd. Maar in ieder geval had hij het eerlijk gezegd en dat gaf toch een band van vertrouwen.

“Kom. Dan gaan wij samen naar de woonkamer”.

Hij volgde mij terwijl ik hem nog hoorde pruttelen dat ik hem straf moest geven als hij iets ‘per ongeluk’ in zijn zak zou steken. Op de drempel slaakte hij een diepe zucht. Ik draaide mij om en keek hem vragend aan.

“Wat is er?”

“Wauw. U leeft in een paleis. Allemaal mooie dingen. En de kerstboom staat ook nog steeds”.

Hij drentelde zenuwachtig heen en weer en pakte alle spulletjes onderzoekend op. Het kerststalletje in een bol die je moet omkeren en weer recht zetten zodat het gaat sneeuwen kreeg de meeste aandacht.

“Je mag het wel hebben als je dat wilt”.

Hij schudde het hoofd.

“Dit is van jou. Mijn kleine broertjes gaan het toch stukmaken. Dan doen ze met al mijn spulletjes”.

“Neem maar mee. Vraag maar aan je vader of hij het hoog in de kast wil zetten zodat je broertjes er niet bij kunnen”.

“Mijn vader is altijd dronken. Ik weet niet of hij daar zin in heeft”.

“Natuurlijk wel. Als jij dat netjes vraagt dan doet hij dat vast wel”.

“Kunt U het voor mij bewaren?”

“Dat kan ik ook doen. Maar het is beter dat je het meeneemt. Dan kan je er thuis telkens naar kijken. Vertel eens hoe het er thuis bij je uitziet?”.

“Niet zo mooi als hier. Wij hebben niet van die mooie spulletjes. Mijn vader zegt steeds dat wij gaan behangen maar mijn broertjes trekken het behang er steeds weer af. Wij hebben ook niet zo’n mooie keuken zoals U”.

“Heb je een eigen kamertje?”

“Nee. Ik moet één kamer delen met mijn broertjes. Maar die zijn strontvervelend. Daarom blijf ik altijd zo lang mogelijk buiten”.

“Zegt je moeder daar dan niks van?”

“Ach. Die interesseert zich toch niet voor mij”.

Ik voelde tranen in mij opwellen bij het horen van dit tekort aan ouderliefde en probeerde in te denken hoe ik dit ventje zou kunnen helpen. Waarschijnlijk zou ik niet veel voor hem kunnen doen. Als hij hier elke dag zou komen dan zouden mijn buren kunnen gaan klagen want als een alleenstaande man plotseling kinderen over de vloer zou krijgen dan stuit dat alleen maar op misverstanden.

“Wauw. U heeft ook een aquarium”, zag hij plotseling, een kleine bak met vissen die in een nis verborgen stond.

“Ja. Niks bijzonder hoor. Gewoon een paar goudvissen”.

“Dit is zo prachtig. Ik heb altijd al een akrium willen hebben”.

“Aquarium”, verbeterde ik hem maar hij luisterde al niet meer en stond met zijn neusje tegen het glas van de bak aangedrukt.

“Vissen zijn mijn vrienden. Je kunt met ze praten”, vertelde hij fantasievol.

“Dat zal wel”, antwoordde ik.

“Je gelooft mij zeker niet? Maar het is echt waar. Kijk, nu gaan ze mij kussen. Ze vinden mij lief”.

En inderdaad. Alle drie de goudvissen waren zijn kant op gezwommen en hapten tegen het glas op de plek waar Jochem zijn neusje tegenaan had gedrukt.

“Die ene grote met die stippen heet Lieze, hé?”

Ik schrok. Was het toeval? Had hij het gewoon geraden? Of bestond er inderdaad iets meer dan ik kon bevatten.

“Hoe weet je dat?”

“Dat zegt die vis mij. Ik kan écht met ze praten. Kijk ik laat ze een kunstje doen”.

Hij maakte met zijn wijsvinger een cirkelende beweging en mijn goudvissen bewogen zich als kleine dolfijnen door het aquarium. Ze draaiden zich om en keken hem na het uitvoeren van hun opdracht vol verwachting aan.

“Mag ik een beetje voer geven?”

“Dat mag. Maar niet zoveel anders vertroebelt het water en dat is niet goed voor de vissen”.

“Dat weet ik. Ik weet alles van vissen”.

Nadat hij een vleugje visvoer in het aquarium deed, hoorde ik het zacht trillen van zijn mobieltje. Hij pakte het apparaat uit zijn zak en las het sms bericht dat hem gestuurd was af op de display.

“Shit. Ik moet gaan. Mijn vrienden wachten buiten op mij. Mag ik hier nog eens terugkomen?”

Ik twijfelde en trok hem zachtjes naar mij toe. Ik voelde hoe hij zijn armpjes om mij heen sloeg en zijn gezichtje tegen mijn buik aandrukte.

“U bent zo lief”, koesterde hij mij.

“Dat kan wel zo wezen, maar ik denk dat mijn buren er bezwaar tegen hebben als je hier regelmatig gaat langskomen”.

Mijn woorden deden hem pijn. Ik merkte dat zijn lichaampje verstijfde en voelde hoe hij zijn vuisten balde achter op mijn rug.

“Dus ik mag nooit meer langs komen?”

“Natuurlijk wel. Maar dan een keertje in de maand of zo”.

Jochem deed drie stappen achterwaarts en keek mij vol haat aan.

“Vuile verrader. Jij bent net als de rest. Je lijkt alleen maar aardig maar je bent het niet”.

“Jochem, luister het kan niet anders. Ik zou het zo graag anders willen”.

“Ik luister niet naar jou. Sodemieter op. Ik wil niks meer met je te maken hebben. Als ik een maand moet wachten dan vergeet ik jou liever”.

Ik zag hoe de tranen opnieuw in zijn ogen opwelden. Hij trapte keihard tegen de poten van de salontafel die daardoor over het laminaat schoof en een meter verder tegen het bankstel stilhield.

“Jochem. Luister...”

Mijn smeekbede kwam te laat. Het ventje kronkelde langs mij heen en ontweek behendig mijn handen die hem bij zijn trui wilde vastpakken.

“Hou je klauwen thuis. Vuile pedo”.

Ik huilde. Diep van binnen verscheurde een groot verdriet mijn hart. Ik had hem zo graag tegen mij aan willen drukken en hem willen uitleggen dat ik mij zorgen om hem maakte. Ik had hem willen vertellen dat hij altijd welkom was als hij problemen had. Maar hij liet het niet toe en rende door de gang. Voordat de deur dichtsloeg hoorde ik hem nog schreeuwen: “Jouw goudvissen hebben verdriet als ik niet meer langs kom. Ze huilen al”.

Hij sloeg de deur zo hard achter zich dicht dat de sponningen bijna scheurden De dreun bleef lang natrillen in mijn gedachten en ik stond daar….met gespreide armen in de gang. Ik had de hoop dat hij zou terugkeren maar na tien minuten gaf ik die hoop op en keerde terug naar de woonkamer.

Ik zag het niet onmiddellijk omdat ik teveel bezig was met het verwerken van mijn emoties. De eenzaamheid en verdriet overheersten en vertroebelden mijn logisch denken. Ik had daarnet een kleine ziel teleurgesteld. Ik had verwachtingen en hoop verbrijzeld omdat ik teveel aan mijn eigen risico’s dacht en niet aan de erbarmelijke sociale omstandigheden waarin hij verkeerde. Mijn God, waarom had ik het verkeerd gedaan? Tranen welden op en stroomden over mijn gezicht. Ik drukte mijn vingers tegen mijn ogen en streek ze langs mijn mond. Toen hoorde ik het vallen van water. Verschrikt keek ik op en zag dat mijn aquarium overstroomde. Mijn goudvissen, ze huilden echt. Zo vreselijke echt dat de bak niet groot genoeg was om hun tranen te bergen. Ik rende naar de keuken om een emmer te nemen om het overtollige water uit het aquarium te scheppen. Daar lag het jack van Jochem. Hij was naar buiten gerend zonder het mee te nemen. Ik pakte het op en doorzocht de zakken. In de binnenzak vond ik een opgefrommeld stukje papier. Ik opende het en las:

“Lieve Bas. Ik zoek een goeie vader. Ik dacht even dat jij dit zou kunnen zijn maar ik heb mij vergist. Jij wilt mij niet. Vergeef mij. Ik heb het kerststalletje meegenomen. Als je mij vindt mag je mij straffen. Maar ik kom nooit meer uit mijzelf terug. Liefs en een kus. Jochem”.

Ik was te verbouwereerd om het te kunnen bevatten. Hoe kon het zijn dat Jochem dit alles van te voren had geweten? Was hij paranormaal of zoiets? Waarom kon hij met mijn goudvissen praten? Waarom huilden mijn goudvissen?

Ik besefte dat een kereltje met een gouden hart door mijn vingers was geglipt. Ik had een wonder stuk gemaakt. Een wonder dat door God was gezonden. Snel schoot ik in mijn winterjas en liep de straat op. Op zoek naar dat ene kereltje dat niet afgeschoten vuurwerk probeerde te vinden. Ik zag er velen, maar niet één jongetje beantwoordde aan het profiel van mijn Jochie.

En in de straten rook ik nog steeds de kruitgeur. Van het vuurwerk, het vuurwerk waarmee Jochem mijn leven had wakker geschud.

Johnny, 05-01-2003

Alle teksten ressorteren onder JRvanDriel©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend. De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden.

Johnny

terug naar boven