Verhalen

Jatagan, Outing, ik ben weer thuis

Het is een uur of acht in de avond. Stief heeft het weer eens op zijn heupen.Hij heeft mij uitgenodigd voor een gesprekje in de praktijkkamer. Hij doet dat vaker om te zien hoe mijn broertjes en ik tegen bepaalde situaties van het leven staan en hoe wij ons daarin ontwikkelen. De gesprekken met Jeetje zijn meestal snel beëindigd omdat mijn broertje de formule weet hoe hij een serieus gesprek op een gigantische lachpartij kan laten uitlopen. Daar is hij een expert in en dat is ook de reden dat bijna niemand boos op hem kan worden. Adjoe is een stukje serieuzer. Hij kan heel goed onder woorden brengen wat hij denkt en bij hem duren de gesprekken meestal wat langer. Emmetje is een discussiebeest. Hij vindt het heerlijk om een gesprek te voeren en kan urenlang filosoferen totdat hij er ‘hoofdpijn’ van krijgt. Dan haakt hij snel af maar in zijn ‘koppie’ blijft het malen. Voor mij ligt het anders. Stief verwacht een volwassen gesprek.

Als hij mij voorgaat naar zijn kantoortje voel ik dat de sfeer gespannen is. Ik weet niet waardoor ik het aanvoel. Misschien is het zijn lichaamstaal of misschien zie ik het aan zijn schouders die hoog opgetrokken zijn. Maar er gaat ook een signaal af van zijn voetstappen die bijna driftig klinken op het laminaat in de gang. Als hij de deur van de dokterskamer opent zie ik dat zijn hand trilt. Er is een storm op komst, blijkbaar zijn er dingen die hij heel graag van mij zou willen weten. Ik volg hem en ga zitten op de stoel waarop normaal de patiënten zitten. Maar ik ben niet ziek, Stief wil alleen maar met mij praten. Als hij achter zijn bureau plaatsneemt kijkt hij mij aan. Zijn ogen staan strak en hij speelt nerveus met zijn vingers.

“Je bent alweer bijna achttien, jongen…,” zegt hij.

“Nog een paar maandjes, Stief,”, antwoord ik.

“Heb je al enig zicht op je geaardheid?”

Ik voel hoe het bloed naar mijn hoofd stijgt en probeer te vechten tegen een huivering die tegen mijn rug aan kruipt. Het kippenvel groeit op mijn armen. Ik had die vraag al veel eerder verwacht en ik had mij er nog zo op voorbreid. Maar nu Stief het mij zo op de man af vraagt zijn mij ineens alle woorden die ik wilde zeggen ontschoten.

“Waarom?,” stel ik een tegenvraag om wat tijd te winnen waardoor ik mij kan herstellen.

“Je schrikt van die vraag?”

“Ja. Waarom wil je dat weten?”

“Omdat Luuk en jij op een nogal erg bevriende manier met elkaar omgaan.”

“Wat is daar vreemd aan?”

“Jullie vriendschap ziet er bijna uit als een relatie. Het is de manier waarop jullie naar elkaar kijken en tegen elkaar aan hangen op de bank. Je broertje heeft ook gezien dat jullie elkaar kusten.”

“Dat…dat…dat was een geintje,” probeer ik de situatie te redden.

Diep in mij vervloek ik Emmetje, de verrader. Het enige plaatje dat in zijn hoofd zit gestampt is een huisje, boompje, beestje situatie. Mannetjes en vrouwtjes passen bij elkaar. Een andere combinatie is bij hem niet mogelijk. Ik vraag mij af wat hij voor zichzelf te verbergen heeft.

“Was het werkelijk een geintje?”

Stief laat zich achterover vallen en laat zijn handen achter zijn hoofd rusten. Daarna veert hij weer terug en kijkt mij doordringend aan.

“Als er iets is waarover je wilt praten dan is dít het moment waarop het kan.”

“Waarom pak je Emmetje niet aan? Als hij een afspraak heeft om met een meisje naar de schooldisco te gaan dan verstopt hij zich ook bij Peertje.”

Stief schiet in de lach. Natuurlijk heeft mijn broertje zich belachelijk gemaakt. Maar iedereen ziet daar meteen de humor van in en zijn daardoor zijn angst voor meisjes vergeten.

“Emmetje is nog jong. Die moet nog keuzes maken en dat komt wel goed. Maar jij bent al een stuk verder in je ontwikkeling.”

“Nou en…en als ik homo ben, wat dan nog? Je wist het toch al? Waarom vraag je er dan naar?”

Het hoge woord is er uit. Stief kijkt mij zwijgend aan. Aan zijn ogen kan ik zien dat hij geschrokken is van de felheid waarmee ik reageerde. Het is net alsof hij teleurgesteld is door mijn bevestiging. Ik bal mijn vuisten en sla keihard op het bureau. Daarna volgen de eerste tranen.

“Je wilt het weten omdat ik je zoon niet ben. Dan kan je zeggen dat jouw kinderen beter zijn. Net of die zo volmaakt zijn. Pa zou mij zoiets nooit vragen. Godverdomme laat mij met rust.”

Ik wil weglopen maar mijn benen missen de kracht om op te staan. De schaamte, teleurstelling en verdriet dringen mijn tranen naar buiten. Ik huil en wrijf met mijn handen door het haar. Ik durf Stief niet aan te kijken. Ik weet wat hij denkt; ik weet hoe hij kijkt en ik stoor mij aan een diepe zucht. Natuurlijk willen zij een schoondochter en kleinkinderen maar die zullen niet van mij komen. Hoe kan ik hem dat aan zijn verstand praten.

“Robin, ik ben ook een soort vader voor je.”

“Dat ben je niet. Dat ben je nog nooit geweest. Je bent een klootzak, een grote klootzak.”

Het is een ontlading waarin ik stief zou willen slaan en ik zeg de meest vreselijke dingen. Ik zeg woorden die ik nooit had mogen zeggen. Maar stief blijft rustig. Hij staat op en probeert een arm om mij heen te slaan maar ik weer hem af. Ik wil hem niet in de buurt hebben. Ik haat hem. Ik wil alleen zijn met mijn verdriet.

“Sodemieter op, galbak. Ga naar je eigen kinderen.”

Even later ben ik alleen en laat mij tranen komen. Ze sijpelen tussen mijn vingers door en vallen op de grond, op het warme tapijt dat ineens niet meer zo warm is als het zich eerst liet aanzien. Ik ben bestolen van mijn vrijheid. Ze weten het nu. Ze zullen mijn broertjes wegstoppen omdat ze bang zullen zijn dat ik ze aanraak. Vandaag is de wereld veranderd. Ik voel me niks, een hopeloze niks, een niks die niet meer mag praten en niet meer met zijn broertjes mag stoeien. Wat heeft het leven dan nog voor zin?

Ik sta op en voel mij zweven. Het huilen heeft mij duizelig gemaakt. Tussen de tranen door kijk ik naar het kastje waarin de medicijnen staan. Het kastje is op slot om te voorkomen dat mijn broertjes de pilletjes voor snoepjes zullen aanzien en ze opeten. Ik weet waar de sleutel ligt, het is zo makkelijk. Ik wil niet dood maar ik wil wél bij mijn vader zijn. Hij zal mij begrijpen, hij zal mij koesteren en mij de liefde geven die ik nodig heb.

Het is avond geworden. Niemand heeft meer iets gezegd over het gesprek. In ieder geval niet met woorden maar aan het gezicht van Ma kan ik zien dat ze heeft gehuild. Als ze tijdens het eten door mijn haren strijkt dan mis ik de warmte en het contact dat er altijd is geweest. Ze is natuurlijk ook teleurgesteld en dat voel ik. Ze wacht op het moment dat ik er verder over wil praten maar ik heb er geen zin meer in. Ik wil niet meer praten met haar, iedereen weet nu wat ze wilden weten. 

Ik ben moe, vreselijk moe en ik kijk naar Emmetje, die in het andere bed ligt  en zie hoe hij rustig ademt. Hij slaapt. Ik sta op en loop naar de kraan om een glas te vullen met water. Daarna pak ik het potje met pilletjes en schudt het voorzichtig om zo weinig mogelijk lawaai te maken. Aan de klank te horen is het potje ruim gevuld. Twintig, misschien dertig.

Als ik op de rand van mijn bed zit denk ik terug aan de momenten waarop het fout is gegaan. Misschien ben ik teveel gefixeerd op mijn vader, die onbereikbaar is. Misschien ben ik teveel geprikkeld door mijn broertjes en wil ik net zo’n onbezorgd leven hebben als hun. Natuurlijk ben ik jaloers op ze omdat ze iemand hebben tegen wie ze ‘Pa’ kunnen zeggen en met wie ze kunnen ravotten. Ik mis dat, mijn god wat mis ik dat. Peertje is lief, hij is het dichtste bij gekomen. Soms noem ik hem ‘Pa’ en dan straalt hij. Op die momenten voel ik de warmte in mijn hart stromen. Dan voel ik mij gelukkig.

Ik wil een brief schrijven om te zeggen dat het mij spijt dat ik zoveel lelijke woorden heb gezegd tegen Stief.  Hij verdient het niet dat ik tegen hem heb gevloekt. Hij zal wel begrijpen waarom ik niet verder wil. Ik heb gefaald. Ergens heb ik toch gefaald? Misschien nog één berichtje op het forum. Gewoon, om even gedag te zeggen. Maar het staat mij tegen, ik heb al zolang niet meer gepost. Dan komen er opnieuw tranen. Onhoorbare tranen om Emmetje niet wakker te maken maar het lukt niet. Ik schreeuw het uit van verdriet. Mijn broertje wordt wakker en komt uit zijn bedje. Hij is te slaperig om te zien dat ik het potje met pilletjes in mijn hand wegstop. Ik voel zijn arm om mij heen en hij kust mij een paar keer zachtjes op mijn wang. Hij is lief en probeert mij te troosten terwijl ik verder huil. Minutenlang strijkt hij met zijn hand door mijn haren en ik merk niet dat de deur is opengegaan. Het is Ma die polshoogte komt nemen en onmiddelijk op mij afspringt. Ze slaat haar armen om mij heen en dan voel ik de warmte die ik zo nodig heb. Mijn tranen druppelen in haar nek en ik voel me elke seconde vermoeider worden. Ik wil slapen, niks anders dan slapen in haar armen.

Als ik de volgende dag wakker word merk ik dat ze naast me ligt in bed. Ze beschermt mij en het is een prettig gevoel, net alsof ik nog zes of zeven jaar was. Toen kroop ik ook graag bij haar in bed om te knuffelen en om te genieten van haar lichaamswarmte. Het is nu hetzelfde, maar ik ben zoveel ouder.

“Je bent alweer bijna achttien, jongen…,” dreunen de woorden van Stief door mijn hoofd.

“Ik ben al bijna acht jaar Stief en ik hou ervan om met mijn moeder te knuffelen,” denk ik hardop.

Ma glimlacht en kust mij zachtjes op mijn wang.

“Je bent zo oud als je jezelf voelt en op knuffelen met je moeder staat geen leeftijd.”

Ik druk mij zachtjes tegen haar aan en geniet van haar aanwezigheid. Elke keer als ze zegt dat ze van mij houd kreun ik. Ik was het even vergeten.

Later op de dag besluiten wij dat het misschien beter is dat ik voor een tijdje buiten huis ga uitrusten. Stief heeft zo zijn contacten en na één telefoontje is het geregeld. Ik voel mij er goed bij.

Het kamertje waarin ik logeer is niet groot maar het is wel gezellig ingericht. Veel zal ik er niet zijn want er volgen veel gesprekken en ook in de recreatiezaal is voldoende te doen om mij bezig te houden. De mensen houden van mijn verhalen en dat doet mij goed. Het geeft mij zelfvertrouwen. Tegen verwachting herstel ik razendsnel en als later Stief en Ma in de gesprekken worden betrokken voel ik mij weer snel helemaal de oude. Wij maken afspraken en er zal niks veranderen. Godzijdank, er zal niks veranderen. Stoeien en knuffelen met mijn broertjes mag. Ze zullen niet bij me worden weggehouden. Alles is weer normaal.

Als vrijdag de wagen de oprit in komt rijden zie ik Luuk op de achterbank zitten. Hij kijkt bezorgd maar is nog eerder dan mijn broertjes uit de wagen gesprongen en geeft mij een dikke knuffel. Ook Emmetje staat te dringen. Zijn ogen zijn vochtig maar hij doet zijn best om niet te huilen. Ik heb hem gemist zoals hij ook mij gemist zal hebben.

“Ik heb allemaal moppen opgeschreven en als je weer verdriet hebt dan ga ik er gewoon een paar vertellen. Net zo lang tot je weer gaat lachen,” zegt hij.

Hij is lief en dat zijn ook de kleintjes die mij knuffelen alsof ik jaren lang ben weggeweest. Daarna vertrekken wij naar huis. Stief neuriet op een liedje dat uit de autoradio komt en de kleintjes kibbelen als vanouds op de achterbank om snoepjes. Emmetje en Luuk leunen zachtjes tegen mij aan. 

In mijn zak zit een visitekaartje met het telefoonnummer van mijn tijdelijke rustplaats voor het geval ik het opnieuw moeilijk zou krijgen. Ik draai het raampje open en gooi het naar buiten.

Het wordt weer tijd om te leven.

 

 

Jatagan

Alle teksten ressorteren onder Jatagan©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend. De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden.

Jatagan

terug naar boven