Jatagan, Kreteks
|
Op een afstandje lijken ze lief en onschuldig. Ze kúnnen ook lief en onschuldig zijn maar meestal is dit maar voor eventjes. En áls ze lief en onschuldig zijn dan is dat alleen maar als stief of mijn moeder dicht bij hen in de buurt zijn. Met Ma willen ze nog wel eens een loopje nemen omdat die elke keer weer vertedert raakt door hun vrolijke glimlachjes en ondernemende karaktertjes. Maar voordat zij het goed en wel door heeft hebben mijn broertjes dan al lang geprofiteerd van haar vertrouwen. Bij stief lukt dat al een stuk minder en juist daarom zien ze het misschien wel als een sport om hem uit te proberen om hun grenzen te verleggen. Meestal worden hun plannetjes al heel vroeg doorzien door Emmertje die zich altijd slachtoffer voelt als de twee kleintjes ergens voorrang in krijgen. Als we die avond aan tafel zitten zit Emmetje weer eens te mokken terwijl onze broertjes het hoogste woord hebben. “Eet eens een beetje door, Emmetje,” dringt Ma aan. Het is een eerste waarschuwing aan zijn adres waardoor hij weet dat zijn provocerende gedrag niet gewenst is aan tafel. Hij weet ook dat hij na een derde opmerking van Ma naar zijn kamertje kan verdwijnen of dat er een preek van Stief staat te wachten. Mijn oudste broertje houdt zijn lippen op elkaar geperst en prikt geïrriteerd met zijn vork in de aardappelen die voor hem liggen op zijn bord. “Het was mijn beurt,” begint zijn protest. Stief zucht. Hij houdt zich afzijdig van de strijd die is losgebarsten maar hij weet dat hij zal moeten optreden als de ‘oorlog’ te lang zal aanhouden. Een korte tik tegen de tafelrand is meestal genoeg om de gemoederen te laten bedaren maar ditmaal blijft een tik om onverklaarbare redenen uit. “Jeetje en Adjoe hadden al spijkerbroeken. Ik loop bijna in mijn blote reet en jullie slaan mij gewoon over.” Ma probeert hem door zijn haar te strelen maar Emmetje trekt onmiddellijk zijn hoofd weg. Hij is boos en laat dat blijken. Als hij boos is dan is hij voor niemand bereikbaar en loopt dan net zo lang te dreinen tot hij zijn zin krijgt of wordt weggestuurd. Ma besluit om een discussie met hem aan te gaan. “Je broertjes waren inderdaad nog niet aan de beurt maar ze groeien zo ontstellend hard dat ze nieuwe broeken nodig hadden.” “Wat moet ik dan morgen aan als ik naar school toe ga? Ik kan toch moeilijk mijn pyjamabroek aantrekken?,” mokt hij verder. “Ach manneke. Jij hebt nog vier spijkerbroeken liggen en die nieuwe Levi’s heb je ook nog steeds niet gedragen.” “Dat is een stomme broek. Ik heb geen zin om voor lul te lopen.” Dan volgt er een krachtige en luide tik op de tafelrand. Het geduld van Stief begint een kritisch punt te naderen maar mijn oudste broertje laat zich ditmaal niet zo makkelijk afbluffen. “Die broek is zeker nog van voor de oorlog. Die hebben archeologen opgegraven ergens uit het graf van Toetanchamon.” “Het spijt me,” zegt Ma. “Die broek had ik beter niet uit de winkel kunnen meenemen zonder jouw nadrukkelijke toestemming.” “Laat dat eens,” bijt Stief Ma toe. “Jíj hoeft je verontschuldigingen niet te maken. Emmetje draagt maar gewoon wat wij voor hem meebrengen. En als hem dit niet bevalt gaat hij inderdaad maar in zijn blote achterwerk naar school.” De twee kleintjes snateren het uit van plezier. “Emmetje, laat je blote reet eens zien,” proest Jeetje het uit. Hij is een duiveltje, een infiltrantje die heel bekwaam is in het opporren van ruzietjes waarbij hij mensen tegen elkaar opzet om daarna met pretoogjes vanaf de zijkant toe te kijken hoe ze elkaar in de haren vliegen. Adjoe is anders. Hij is een diplomatieke zwijger die feilloos aanvoelt wat Jeetje nodig heeft een om situatie te ontwrichten. Een enkel woord of een blik in zijn ogen is al voldoende om zijn broertje tot snode plannen te bewegen. Emmetje had dit al heel snel doorzien en noemde Adjoe terecht al ‘de menselijke afstandbediening’ van Jeetje. “Ik ga wel naar boven. Ik ben hier toch teveel,” schuift Emmetje zijn bord weg. “Jullie houden toch alleen maar van mijn broertjes.” “Je eet netjes je bord leeg. Ma heeft niet voor niks eten klaargemaakt.” “Dan neem ik het eten wel mee naar boven,” probeert hij een gulden middenweg te vinden in het probleem en binnen enkele ogenblikken is hij opgestaan en wandelt weg met het bord in zijn handen. “You’re grounded,” herhaalt Jeetje met een gewichtig basstemmetje een zinnetje welke hem is bijgebleven uit een jeugdserie van de televisie. “Wacht jij maar af,” draait Emmetje zich woedend en voor een laatste maal om en wappert dreigend met zijn vinger naar Jeetje. “Ik krijg je nog wel. Let maar op, vanavond is Pluisje weggelopen en ik zou echt niet weten waarom…” Bij het bankstel richt Pluisje zijn koppie dromerig op omdat hij zijn naam heeft gehoord. Daarna bromt hij wat en legt dan zijn hondenhoofdje weer op zijn voorpoten om verder te slapen. “Naar boven jij,” treedt Stief op. “En voorlopig blijf je daar tot ik er weer zin in heb om je beneden te zien.” De deur slaat dicht en mijn twee broertjes giechelen nog wat na. “Ik wil een nieuwe broek,” speelt Jeetje zijn oudere broer op een overdreven en plagerige manier na terwijl Adjoe de meest onmogelijke gezichten trekt. “Ja, ja. Gaan jullie nog even door,” verzucht Stief. “Ik heb met jullie trouwens ook een appeltje te schillen. Je blijft maar even aan tafel na het eten.” Het is onmiddellijk stil aan tafel. Na het eten aan tafel blijven zitten is een straf voor mijn broertjes. Ze zijn bewegelijk en gunnen zichzelf geen enkel moment van rust. Ik weet dat ze met een aantal vriendjes hadden afgesproken om te gaan voetballen op het pleintje maar dat zal er nu wel bij inschieten. Nadat het toetje is opgepeuzeld zet Ma een bord met vla onder aan de trap en roept naar Emmetje dat hij het kan komen ophalen. Maar mijn broer reageert niet. Toch weet ik dat hij het straks zal ophalen. “Geef mij maar even een asbak en sigaretten aan. Ze liggen in de kast.,” geeft Stief opdracht aan Jeetje omdat die het dichtste bij hem in de beurt zit. Mijn broertjes kijken elkaar verbaasd aan. Dit is echt vreemd. De momenten dat Stief een sigaret opsteekt zijn zeldzaam en als hij rookt dan is dat meestal laat op de avond als hij zich vakbladen heeft verdiept. Toch doet Jeetje datgene dat hem opgedragen is en enkele ogenblikken later staat het rookgerei voor zijn neus. Normaal gesproken ga ik zelf na het eten naar boven om even rustig op bed te liggen en om met mijn broertje te praten maar ditmaal besluit ik om dichtbij te blijven omdat ik nieuwsgierig ben naar wat Stief tegen hun gaat zeggen. “Als je wilt roken dan hoort daar vuur bij,” zegt Stief. “Adje, ga jij eens even een doosje lucifers uit de keuken halen.” Als hij terug komt dan liggen er drie sigaretten los op de tafel. Stief pakt er eentje van en steekt die op. Het is een kretek, een Maleisisch product. De rook stinkt een uur in de wind en om de lucht te laten verdwijnen moet je deuren en ramen tegenover elkaar open zetten en zelfs dan kan je dagen later nog ruiken dat er gerookt is. “Hm, lekker. Steek er ook maar eentje op. Doe maar.”
Jeetje en Adjoe kijken elkaar verwonderd aan. Ze weten waar de schoen wringt maar weten niet zoveel raad met situatie. “Kinderen mogen niet roken,” probeert Adjoe. “Roken is ongezond,” valt Jeetje hem bij. “Dat klopt. Maar ik weet dat jullie stiekem hebben gerookt op jullie kamertje. Er hangt daar een lucht alsof jullie oude kranten hebben gebrand. En bovendien, van dat stiekeme gedoe moeten wij een keertje af. Je bent nu toch al groot genoeg om te mogen roken. Je hebt mijn toestemming.” Ik heb medelijden met mijn broertjes. Ze laten hun hoofdjes aangeslagen hangen en zwijgen in afwachting van de dingen die gaan komen. Het is hun aan te zien dat ze betrapt zijn en dat ze nog geen passende oplossing hebben om zich uit de situatie te redden. “Ik zou het anders grandioos vinden om samen met mijn zonen na het eten een sigaretje te roken en te praten over de dingen van de dag. Daar heb ik mij al zolang op verheugd.” “Wij hebben nog nooit gerookt,” piept Jeetje. “Hm,” antwoord Stief. “En wie van jullie heeft dan die halfopgebrande sigaretten weer terug gestopt in het pakje?” Jeetje kijkt Adjoe vernietigend aan. “Klootzak. Ik zei toch dat Pa het door zou krijgen. Pa heeft gestudeerd, hij trapt niet in die eenvoudige trucjes die jij verzint. Je had die sigaretten beter weg kunnen gooien.” “Ja, vertel mij maar eens Adjoe: waarom heb je dat gedaan?” Adjoe staart boos voor zich uit en wrijft op zijn bovenarm de pijn weg omdat Jeetje hem een flinke por heeft gegeven. Als er niemand bij hen had gezeten dan waren mijn broertjes elkaar nu zeker in de haren gevlogen. Maar nu lagen de zaken anders. “Ik dacht dat U elke avond de sigaretten telt. En als U er één zou missen dan zou U zeker weten dat wij sigaretten gerookt hebben.” “Wij hadden toch afgesproken om te zeggen dat Emmetje het gedaan heeft?,” brokkelde Jeetje de twee-eenheid verder af. “Als je dat zou aanvoeren dan zou ik jullie nooit geloven. Jullie grote broer doet zoiets niet. Daar ken ik hem te goed voor.” Een nieuwe bedenktijd viel. Er kamen geen nieuwe listen of ontkenningen te voorschijn. “Als ik er eentje aansteek dan krijg ik zeker gelijk straf?,” vroeg Jeetje bijna fluisterend terwijl hij naar de sigaret keek die voor hem lag. “Zeker niet. Als ik beloof dat je geen straf zal krijgen dan hou ik mij daar ook aan. Steek er gerust eentje op. Het maakt mij niet zoveel uit hoeveel je rookt. Het gaat mij om de gezelligheid.” Enkele ogenblikken later had Jeetje zijn angst overwonnen. De kretek, die hij wat onhandig had aangestoken trilde tussen zijn lippen en van tijd tot tijd hoestte hij krachtig omdat de droge lucht van de sigaret in zijn keel kriebelde. Adjoe volgde zijn voorbeeld maar bij het aansteken kreeg hij meteen rook in zijn oog. Hij probeerde de pijn weg te wrijven maar Stief trok zijn hand weg. “Niet wrijven. Een ongelukje hoort nu eenmaal bij roken. De hinderlijke pijn trek zo wel weg”. Het was aandoenlijk om te zien hoe Adjoe met betraande ogen aan tafel zat en onwennig met zijn sigaret speelde. Toch zette hij door en het viel mij op dat ze wat overmoedig werden. Door het machogedrag wat zo vaak gekoppeld wordt aan roken leken zij te groeien in status en het verbaasde mij niks dat zij uiteindelijk een tweede sigaret op staken. Stief deed gewoon en zelfs aan zijn gezicht kon ik niet zien dat hij zich inwendig zat in te houden. Ik vroeg mij af of hij zich ergerde of plezier had. In ieder geval begreep ik zijn beweegredenen pas goed toen hij het gesprek probeerde te rekken met enkele moeilijke vragen. “En wat denken jullie van Irak?,” vroeg hij. “Irak, ehhhh, wat Irak?, ” wreef Adjoe opnieuw de rook in zijn ogen weg. “Nou, je weet wel. Wat gisteren in het nieuws was.” “Oh dat,” antwoordde Jeetje. Zijn antwoord had uiterst kort geklonken. Niks voor Jeetje omdat hij meestal een veelprater is die door niemand geremd kan worden als hij eenmaal op gang is gekomen. Ma had het ook gemerkt en keek mij enkele seconden aan om te zien of het mij ook was opgevallen. Ze stond op en ging ook aan de tafel zitten. “Ik denk dat het zo wel genoeg is,” probeerde zij het op te nemen voor de twee kleintjes. “Ja, Pa. Mogen wij van tafel gaan?” “Hoeveel sigaretten heb je nu gerookt?” “Vier.” “Ik rook nog aan mijn vierde,” antwoordde Adjoe die een vies gezicht trok. “Oké. Als die op is mogen jullie gaan.” Toen Jeetje opstond greep hij gelijk naar de tafelrand. “Jezus. Ik ben duizelig,” zwaaide hij met zijn bovenlichaam. “Ik voel mij ook niet zo lekker,” vulde Adjoe hem aan. “Ik moet kotsen. Ik heb een dokter nodig,” klonk Jeetjes stem benauwd. Stief knikte. “Jullie hebben zeker een dokter nodig. Er zit niks geen kleur meer op jullie wangetjes. Een beetje witjes zou ik zeggen. Ga maar lekker naar bed dan kom ik later wel kijken. Nog een geluk voor jullie dat ik dokter ben.” “Jaaaaaaah,” klonk het zielig en bijna tegelijkertijd. In een oogwenk waren de twee kleine durfals verdwenen. Terwijl ze weg waggelden hoorde ik hen nog zeggen dat ze zo ziek waren dat ze nooit meer een sigaret zouden aanraken. Ze waren ziek, doodziek van het roken. En Ma was kwaad omdat de lucht van de kreteks die in het huis hing niet van plan zou zijn om de komende dagen te wijken. Snel opende zij de ramen zette de plafondventilator aan. Ze hoestte nadrukkelijk waardoor het leek alsof zij ook straf had gekregen. Ook ik voelde mij flink beroerd maar had niks van het spel dat Stief met de kleintjes speelde willen missen. Het was een lesje waarbij hij ze een keuze had laten maken. Hij zou zeker niet hebben aangedrongen als ze geweigerd hadden om mee te roken. Dwang was hierbij beslist niet ter sprake gekomen. Terwijl ik naar de gang liep vroeg ik mij af wat mijn broertjes er toe had aangezet om te roken. Misschien was de status van het macho zijn voor hen wel het meest aantrekkelijke geweest, of misschien was het alleen pure nieuwsgierigheid en de spanning geweest van het stiekeme roken, of was het knetterende geluid dat een kretek kenmerkte bij het diep inzuigen van de rook zo magisch geweest dat ze daarvoor waren bezweken. Ik besloot om het maar niet te vragen aan mijn broertjes omdat ik verwachtte dat ze voorlopig toch niet over sigaretten roken wilden praten. Toen ik naar bovenliep zag ik het schoongelikte bord van Emmetje onder aan de trap staan. Hij had zijn vla naar binnen geslobberd. Ik wist zeker dat hij serieus zou reageren als ik hem het ‘rookverhaal’ zou vertellen. Misschien zou hij later wel een discussie aangaan met Stief omdat ik verwachtte dat hij het niet zou zijn met de manier waarop zijn vader het ‘rookprobleem’ had opgelost. En dan zou hij het tóch weer voor zijn broertjes opnemen. Ik besloot toch om het hem maar te vertellen. Anders zou hij er toch naar vragen omdat de lucht van de kreteks nog dagenlang in huis zou rondhangen. Jatagan 11-10-2003 Alle teksten ressorteren onder Jatagan©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend. De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden |
|
Jatagan |